Verzameling stukken, afkomstig van Salomon Sweers (levensjaren 1611-1674), Jeremias van Vliet (levensjaren ca. 1602-1663), Jacques Specx en François Mannis

Beschrijving van het Archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormers

Salomon Sweers.
Gegevens over het gezin, waartoe Salomon Sweers behoorde, zijn opgeteekend en bijeengebracht door zijn jongeren broeder, den bekenden vice-admiraal Isaäc Sweers. Diens collectie, voorzover op het zeewezen betrekking hebbend, is in 1892 aan het Rijksarchief te 's-Gravenhage geschonken; de papieren, de familiegebeurtenissen betreffend, zijn aan het gemeentearchief van Amsterdam gekomen. In de verzameling te 's-Gravenhage bevindt zich evenwel een register, waarin geslachtkundige aanteekeningen zijn opgenomen; dit register is eene notitie, waarin journaalsgewijze staat opgeteekend hetgeen met Isaäc Sweers is voorgevallen. [1]Met gebruikmaking der gegevens van Isaäc Sweers is de genealogie van het geslacht Sweers in: Elias, Vroedschap van Amsterdam, gepubliceerd.
Salomon Sweers werd 15 juni 1611 te Nijmegen geboren als zoon van Aernt Sweers en Alida van Bronckhorst. Nadat de vader door de provincie Gelderland voor het tijdvak 1627 - 1634 gecommitteerd was tot bewindhebber der O.-I. Compagnie ter Kamer Amsterdam, verhuisde de familie naar deze stad. Het gezin van Aernt Sweers, telde toen acht kinderen, in volgorde van leeftijd geheeten: Judith, Jan, Salomon, Jacob, Abraham, Catharina, Isaäc en Benjamin.
Ongeveer 1629 is Salomon Sweers te Amsterdam als Klerk op het comptoir der O.-I. Compagnie in dienst getreden . Zulks blijkt uit eene resolutie van bewindhebberen der Kamer Amsterdam van 23 december 1630, welke vermeldt, dat Sweers destijds als zoodanig twee jaren dienst had gedaan. Op het comptoir bleef Salomon werkzaam, totdat hij in december 1632 naar Oost-Indië vertrok. Hij maakte de reis in de kwaliteit van secretaris van de vloot, welke onder commando stond van Anthonio van Diemen. [2] Deze, door Bewindhebberen herbenoemd tot Directeur-generaal, bevond zich op het schip "Amsterdam" (ook Nieuw-Amsterdam genoemd). In hun brief van october 1632 schreven Heeren Zeventien aan Gouverneur-generaal van raden van Indië, dat Salomon ging onder het oog van Van Diemen, om verder in Indië geëmployeerd te worden; Heeren Zeventien twijfelden niet, of de Compagnie zou in Indië van hem goede diensten trekken.In juli 1633 arriveerde het schip "Amsterdam" voor Batavia. [3]
Van zijn dienst in Oost-Indië geeft Sweers zelf een kort overzicht in een rekwest van september 1638, door hem gericht aan de Grafelijkheids-Rekenkamer van Holland. [4]Daarin staat vermeld, dat hij, als secretaris op de vloot onder Van Diemen uitgekomen, de Compagnie gediend heeft in de kwartieren van Guzeratte en Perzië, Japan en de kust van China, Amboina, en Banda, benevens op Java.
Waarschijnlijk zal Sweers naar Guzeratte zijn gegaan met de vloot, die onder commando van commissaris Philip Lucasz. in augustus 1633 naar Guzeratte-Perzië uitzeilde. Sweers' mededeling over zijn dienst aldaar wordt toegelicht door een document, dat zich bevindt bij de Sweers-papieren in de collectie C. S. Het is eene verklaring, afgegeven door Johan van Twist, gewezen opperhoofd over de comptoiren Amadabath, Cambaya, Brodera en Brotchia in het Rijk van Guzeratte; Van Twist verklaart daarin, dat Salomon Sweers, onderkoopman, gedurende achttien maanden als kassier op het comptoir Amadabath zich eerlijk en getrouw in Compagnie's dienst heeft gedragen.
De verklaring is geteekend te Batavia 1 augustus 1636, en Sweers zal zich dus op dit tijdstip op Java hebben bevonden. Ten aanzien van hetgeen hij voorts mededeelt over zijne werkzaamheid op Amboina en Banda vinden wij eene bevestiging in de bescheiden aangaande den scheepstocht, einde december 1636 naar de Ambonsche kwartieren ondernomen onder bevel van Gouverneur-generaal Van Diemen. Op de vloot blijkt zich ook de onderkoopman Salomon Sweers te hebben bevonden. In het Compagnies-archief is bewaard gebleven een copieboek van brieven, orders en commissiën, van Gouverneur-generaal en Raden op deze tocht uitgegaan: in Van Diemen's brief naar Batavia van 15 april 1637 wordt melding gemaakt van Sweers. De Ambonsche armada was midden juli 1637 voor Batavia teruggekeerd.
Op 16 augustus 1637 huwde Salomon Sweers aldaar met Catharina Jansdr. (geboortig van Hoorn), weduwe van Dirck Jemming, secretaris van den Raad van Justitie. Met de retourvloot, die einde van dat jaar onder commando van Artus Gijsels, Raad van Indië, vertrok, keerden Sweers en zijn vrouw naar patria terug; zij waren aan boord van de "Hollandia". [5]In mei 1638 kwam dit schip voor Texel aan.
Tijdens zijn verblijf in Indië waren Sweers' ouders te Nijmegen, waarheen zij metterwoon waren teruggekeerd, in 1635 komen te overlijden.
Spoedig na zijne aankomst, solliciteerde Sweers bij de Grafelijkheids-Rekenkamer van Holland naar het ambt van schout van Texel, baljuw van Eierland; hij kreeg de betrekking, waartoe hem 9 october 1638 commissie werd gegeven.
Na verloop van twee jaren besloot Sweers opnieuw naar Oost-Indië te gaan. Door de Heeren Zeventien, in september 1640 vergaderd, werd Salomon Sweers in dienst genomen, om vergezeld van zijn huisvrouw, in de kwaliteit van extra-ordinair Raad van Indië in het aanstaande voorjaar te vertrekken.
April 1641 zeilde Sweers van Texel uit op "De Vogel Struys", die tegelijk vertrok met het schip "Wesel", waarop zich de tot de extra-ordinaris Raad van Indië benoemde Cornelis Witsen bevond. Beurtelings zou elk der Raden voor een maand de commando-vlag voeren. [6] Over Sweers' reis tot Kaap de Goede Hoop is een relaas te vinden in brieven, augustus 1641 in Tafelbaai geschreven, waarvan afschriften zijn bewaard in het archief der O.-I. Compagnie. Een deze brieven is gericht aan zijn broeder Jacob, die als opperkoopman aan boord was van het schip "Wesel". Uit dezen brief vernemen wij, dat zich bij Salomon Sweers, behalve zijne vrouw, ook bevonden zijne jongste zuster en broeder, Catharina en Benjamin [7]
Salomon Sweers, extra-ordinaris Raad van Indië, kwam begin November 1641 te Batavia aan. Van 15 November af nam Sweers deel aan de vergaderingen van den raad van Indië. Krachtens resolutie van dit college van 20 December 1641 kreeg hij zitting in den Raad van Justitie als vice-president. De Raad van Indië bestond destijds, nadat François Caron als commandeur der retourvloot was vertrokken, uit den Gouverneur-generaal Van Diemen, den Directeur-generaal Cornelis van der Lijn, den raadspensionaris mr. Joan Maetsuyker en den extra-ordinaris Raad Justus Schouten, waarbij toen nog kwamen: Salomon Sweers en Cornelis Witsen.
In zijne vergadering van 1 februari 1642 werd door den Raad eene regeling voor de verdeeling van sommige werkzaamheden getroffen. Gouverneur-generaal Van Diemen had reeds in de raadszitting van 23 october 1641 deze aangelegenheid ingeleid; hij had toen voorgedragen, dat door het toenemen van den Staat der Compagnie in Indië de besoignes meer en meer verzwaarden, zoodat het opstellen der vereischte schrifturen naar de diverse kwartieren (werkzaamheid tot nu toe voornamelijk door den Gouverneur-generaal alleen gedaan) door één persoon bezwaarlijk zou kunnen worden bijgehouden. Van Diemen gaf derhalve in overweging, of het voor de Compagnie tot verlichting van zijne persoon en tot "aankweeking" van de andere leden niet dienstig zoude wezen het generale werk over de raadspersonen eenigzins te verdeelen. De op de 1 februari 1642 getroffen regeling hield in, dat het opstellen van het generaal dagregister van het gepasseerde in Indië, tot nog toe door raadpensionaris Maetsuyker gehouden, onder de Raden verdeeld zoude worden, zoodat dit zoude bestaan uit vijf deelen, elk verschillende kwartieren van Indië betreffend; tevens zou dan het concipiëeren der antwoorden op de brieven, uit de kwartieren ontvangen, door de Raadsleden moeten geschieden. Salomon Sweers kreeg voor zijn deel de behandeling der papieren van Guzeratte, Hindustan, Perzië en Mocha. De bescheiden afkomstig van Sweers, aanwezig in de collectie C. S., wijzen uit, dat hij de eerste maal niet alleen het relaas van deze kwartieren, maar ook dat betreffende Choromandel, Bengalen en Pegu (toegewezen aan den secretaris van den Raad Pieter Mestdagh) bewerkte, waarbij het volgend jaar nog kwam het verslag over Ceylon en de Kust van Indië.
Nauwelijks had Sweers een kwart jaar in den Raad van Indië zitting gehad of hij werd in de waarneming van zijn ambt geschorst. Er was ontdekt, dat hij voor eigen rekening een partij barnsteen (hem, zijn broeders en Jacob en Benjamin en zijne zuster Catharina gemeenschappelijk toekomend) benevens eenige andere koopmanschappen aan een Chinees had verkocht - een particulier handeldrijven, dat den Compagnies-dienaren bij den Generale Articul-brief streng verboden was. In hun zitting van 22 februari 1642 besloten Gouverneur-generaal en Raden tegen niet der vergadering aanwezigen Sweers proces aanhangig te maken bij den Raad van Justitie en hem zoolang den toegang tot den Raad van Indië en dien van Justitie te ontzeggen. Sweers wendde zich daarop tot de Raden van Indië ieder afzonderlijk, opdat de zaak geen voortgang zoude hebben, maar dit mocht niet baten, zoodat Gouverneur-generaal en Raden op 10 maart bij het genomen besluit volhardden. Door den Raad van Justitie werd Sweers bij uitspraak van 5 april 1642 van zijn ambt gesuspendeerd tot discretie van den Gouverneur-generaal. Deze won de adviezen der Raden van Indië in en het resultaat was, dat Sweers op 7 juni 1642 door Van Diemen provisioneel in in zijn vorige kwaliteit hersteld, mits Bewindhebberen in Nederland zulks goedkeurden.
Sweers was gehuisvest in het kasteel te Batavia. Te zijnen huize overleed in april 1642 de jongste broeder Benjamin, assistent op de secretarie van den Gouverneur-generaal. Broeder Jacob huwde in mei 1642 te Batavia met Maria Aux Brebis (geboortig van Hamburg), weduwe van den kapitein-majoor in dienst der O.-I. Compagnie Adriaaen Anthonisz., eerder weduwe van den opperkoopman der O.-I. Compagnie Adriaen Daniël de Bucqoy. Catharina Sweers werd juli 1642 de vrouw van jeremias van Vliet, laatstelijk als commissaris naar Siam gedien hebbend.
Sweers' ambtelijk werkzaamheid te Batavia in de volgende jaren vinden wij toegelicht door enkele resolutiën van Gouverneur-generaal en Raden. Het commissariaat van de monstering der van Batavia vertrekkende schepen en jachten benevens het opzicht over de generale equipage werd hem 2 augustus 1642 opgedragen. Bij resolutie van 1 october 1642 kreeg hij aanstelling tot visitateur-generaal der negotieboeken in Indië. Op 5 januari 1643 wees de Raad van Indië hem aan als president van het College van Weesmeesteren.
De resolutie, door den Raad van Indië in de zaak Sweers genomen, zond Van Diemen aan Bewindhebberen bij brief van januari 1643. Heeren Zeventien beantwoordden dit schrijven in augustus; zij deelden daarin mede, dat - hoewel de zij de zaak van groot gevolg oordeelden - zij goedvonden het te laten bij het in den Raad van Indië gevallen besluit, met dien verstande evenwel, dat men Sweers voortaan gebruiken zou, waar hij het beste dienst zou kunnen doen, zonder hem verder in de Raad van Indië te admitteeren, hetgeen naar de mening van de Heeren Zeventien al te aanstootelijk zoude wezen. In april 1644 kwam de missive van Bewindhebberen te Batavia aan. Ondanks hun verbod bleef Sweers zitting houden in den Raad van Indië. Spoedig daarna, op 13 mei 1644, kreeg hij van dit college eene benoeming tot opperregent van Compagnie's ziekenhuis en bij resolutie van 17 juni 1644 werd hem opgelegd de uitbetaling der maandgelden benevens het toezicht op de beoken van het soldijcomptoir.
Voor den Gouverneur-generaal Van Diemen heeft Sweers groote achting gekoesterd en blijkbaar bleef de landvoogd ook hem genegen. Geheel anders was de verhouding van Sweers tot den Directeur-generaal Cornelis van der Lijn, oudsten Raad van Indië. Op een maaltijd ten huize van Sweers in januari 1645 kwam het tusschen deze beiden tot een hevige twist, waarbij Van der Lijn tegenover Sweers' vrouw van den rottang gebruik maakte en Sweers den Directeur-generaal beleedigende woorden toevoegde. De Raad van Indië hield zich met het geval in zijne zitting van 22 februari bezig. Gouverneur-generaal Van Diemen kwam in april 1645 te overlijden. Het oppergezag kwam aan Van der Lijn, onder den titel van "President in Rade van Indië". In het sterk geslonken college der Hooge Regeering, waarin Maetsuycker als eenige ordinaris Raad zitting had, zouden voortaan de extra-ordinaris Raden Sweers en Simon van Alphen mede in alle zaken concludeerende stem hebben.
Een tweede inbreuk van Sweers op zijn compagnie's verbod van particulieren handel door de ambtenaren zou zijn ontslag uit den dienst der Compagnie ten gevolge hebben. Over de toedracht heeft P. A. Leupe reeds een en ander medegedeeld in een opstel Salomon Sweers, Raad van Indië 1644 (Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, Reeks 3, Deel 8) , waartoe van de stukken in de collectie C. S. gebruik is gemaakt. Uit eenige door de kamer Amsterdam onderschepte brieven werden Heeren Zeventien in september 1644 geïnformeerd, dat Sweers zich wederom aan particulieren handel en correspondentie had schuldig gemaakt. In aanmerking nemend het exorbinant toenemen van den vrijen handel door de ministers der Compagnie en de voorgaande ongeoorloofde handeling van Sweers (die een zoodanige honorable charge als Raad-extra-ordinaris van Indië had) besloten Heeren Zeventien, dat Sweers buiten dienst en gage van de Compagnie zou gehouden worden. Nadat de Raad van Indië in juli 1645 van dit besluit kennis had gekregen, nam Sweers aan de zittingen der Hooge Regeering niet meer deel. Bij Raadsresolutie van 29 juli 1645 werd hij verder ontlast van het uitbetalen der maandgelden en het opzicht op het soldijcomptoir; tot zijn vertrek zou hij nog in functie blijven als president van Weesmeesteren en opperregent van het ziekenhuis.
De resolutiën van den Raad van Indië van 16 en 25 November 1645 maken nog melding van heftig optreden van Sweers; hij had den extra-ordinaris Raad Van Alphen beschuldigd van particuliere negotie, maar verklaarde later, dat zijne bewering in dronkenschap gedaan was.
Tot de administratie zijner goederen in Indië wees Sweers aan: Frederick Coyett, opperkoopman, en Hendrick van Seelst, kassier van het kasteel te Batavia.
Met de retourvloot, die einde december naar patria vertrok, verlieten Sweers en zijne vrouw op het schip "Vrede" Batavia; einde juni 1646 kwamen zij in Nederland aan.
Aanstonds wendde Sweers zich tot Heeren Zeventien in eene remonstrantie, die bewaard is onder zijne papieren en naar dit document gepubliceerd door Leupe in Bijdragen voor de Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indië, Reeks 3, Deel 8.
Sweers, die zich als koopman te Amsterdam vestigde, zou in zijn verdere leven een tegenstander der V. O. I. Compagnie blijven. Hierop wijzen enkele bescheiden onder zijne papieren, waaruit blijkt dat hij zich geïnteresseerd heeft voor de buitenlandsche pogingen tot oprichting van Indische handelscompagnieën. Hetgeen in zijne papieren voorkomt over de verstandhouding tot François Caron, heeft Leupe reeds medegedeeld in het bovenaangehaald opstel.
Salomon Sweers overleed te Amsterdam 2 maart 1674