Verzameling stukken, afkomstig van Salomon Sweers (levensjaren 1611-1674), Jeremias van Vliet (levensjaren ca. 1602-1663), Jacques Specx en François Mannis

Beschrijving van het Archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormers

Jeremias van Vliet.
Over zijn afkomst en diensttijd bij de Oostindische Compagnie tot 1639 heeft Van Vliet zelf mededeelingen verstrekt in een schrijven gericht aan de Weeskamer zijner geboortestad Schiedam, dat onder zijn papieren bewaard is gebleven. [1]
Van Vliets geboortejaar is waarschijnlijk1602, daar hij in 1642 als 40 jarige vermeld wordt. [2]Zijne ouders waren Eeuwout Huybrechtsz. van Vliet en Maritge Cornelisd.
Van de vijf zonen uit hun gezin zouden er drie naar Oost-Indië gaan: Eeuwout, Daniël en Jeremias. Nadat hij in burgelijken staat in zijn geboortestad Schiedam gewoond en den meesten tijds levens daar door gebracht had, besloot Jeremias, aangezien het geluk hem naar wensch niet wilde dienen" zijn fortuin in Indië te zoeken. Voor de kamer Rotterdam der O.-I. Compagnie vertrok hij in mei 1628 op "Het Wapen van Rotterdam" als assistent naar Batavia, waar hij februari 1629 aankwam.
In dezen rang ging Jeremias van Vliet in juni 1629 naar Japan, toen daarheen commandeur Willem Jansz. werd gezonden tot wegneming van de voor de Compagnie's handel gerezen zwarigheden. In de komende moeilijke jaren bleef Van Vliet in Japan, totdat hij in Januari 1633 naar Batavia terugkeerde, waar hij de volgende maand arriveerde.
Op het comptoir te Firando was Van Vliet bevorderd tot onderkoopman op voorwaarde van approbatie door den Gouverneur-generaal. Na aankomst te Batavia werd zijne bevordering bevestigd door Gouverneur-generaal Brouwer onder driejarig verband van dienst.
In april 1633 vertrok Jeremias van Vliet naar Siam met het schip "Delft", waarop zich ook bevond het opperhoofd der Compagnie in Siam Joost Schouten. [3]Deze reisde in de volgende jaren telkens naar Batavia heen en weder en liet zich dan het beheer in Siam over aan Van Vliet als waarnemend opperhoofd. Onder diens bestuur had in december 1636 de gevangenneming van enkele van Compagnie's bedienden door de Siammers plaats; Van Vliet rapporteerde daarover uitvoerig aan de Hooge Regeering. [4]
Bij resolutie van 23 juli 1636 hadden Gouverneur-generaal en raden besloten Van Vliet in den rang van koopman tot opperhoofd van het comptoir Siam aan te stellen. Van Vliet meende aanspraak te mogen amken op eene bevordering tot den rang van opperkoopman en kreeg vergunning naar Batavia te komen om de Hooge Regeering rapport uit te brengen. [5]Midden Februari 1638 vertrok hij uit Judia en kwam begin April met de "Oostcapelle" voor Batavia. Daar trof hij, aangezien Gouverneur-generaal Van Diemen wederom naar de Ambonische kwartieren was vertrokken, den Directeur-generaal Philip Lucasz. als hoogsten gezaghebber aan. Voor dezen stelde Van Vliet beschrijvingen van Siam op, die vele jaren na Van Vliet's dood in druk is uitgegeven onder den titel: Beschrijving van het Koningrijk Siam mitsgaders het verhael van den oorsprong, onderscheid, politieke regeering, d'ecclesiatique en costuymelijke huyshoudingen van d'edelen en burgerlijke lieden, alsmede den loop der negotie en andere remarquable saeken des Koningrijks Siam. (Leiden 1692). [6] Van den Raad van Indië kreeg Jeremias van Vliet bij resolutie van 17 augustus 1638 zijne bevordering tot opperkoopman onder driejarig verband. Kort daarop vertrok hij als opperhoofd van het comptoir Siam naar zijne oude standplaats.
Tijdens zijne nieuwe dienstperiode in Siam zou Van Vliet op zijn Beschrijving nog een tweetal schrifturen laten volgen.
Het eene bevat een kroniek der Siameesche Koningen en is onder zijne papieren in de collectie C. S. bewaard gebleven; de title er van luidt; Cort verhael van 't naturel, eynde der volbrachter tijt ende successie der Coningen van Siam, voor sooveel daer bij d'oude historien bekent zijn; het was voor Gouverneur-generaal Van Diemen bestemd en gedagteekend 8 februari 1640
In hunne missive van 4 mei 1640 betuigden G.-G. en Raden aan Van Vliet hun dank; zij hadden het Tractaat van de successie der Siamsche Koningen en hun denkwaardig bedrijf, door Van Vliet beschreven en aan hen gedediceerd, aangenaam geaccepteerd; ïn toecomende sullen diergelijcke geschriften ons behaeglijck en U. E. loffelijck zijn".
Het daarbij aansluitend schriftuur is het Historiael Verhaelenz., gedateerd 31 december 1640, hetwelk zich eveneens bij Van Vliet's papieren in de collectie C. S. bevindt. Van dit verhaal is eene Fransche vertaling (van de hand van Abraham de Wicquefort) in 1663 te Parijs verschenen [7]
In mei 1641 kwam van Vliet wederom te Batavia om aan de Hooge Regeering rapport over Siam uit te brengen [8]In september 1641 keerde hiij terug in den rang van Commissaris; het was zijne laatste reis naar Siam, vanwaar hij mei 1642 op Batavia arriveerde.
Op 31 juli 1642 huwde Jeremias van Vliet aldaar Catharina Sweers, zuster van den extra-ordinaris Raad van Indië Salomon Sweers. [9]In een brief aan familieleden, waarin Sweers dit huwelijk mededeelt, karakteriseert deze zijn schoonbroeder als een gauw geëxperimenteerd persoon, wiens vermogen op 30.000 gulden werd geschat. [10]
De Raad van Indië wees aanvankelijk van Vliet aan om als opperhoofd in Perzië opvolger van Wolbrandt Geleynsz. de Jongh te worden, doch wijsigde dit plan, toen door het ziek worden van Cornelis Witsen diens commissie naar Malakka moest vervallen. Bij resolutie van 6 september 1642 benoemden Gouverneur-generaal en Raden daarop Van Vliet om den Gouverneur van Malakka Joan van twist te vervangen.
Toen bij resolutie van 4 mei 1644 Gouverneur Van Vliet's diensttijd opnieuw onder driejarig verband verlengd werd, stelde de Raad van Indië als titel voor hem vast: Vice-Gouverneur en directeur van de stad Malacca en ressort van dien. Bij reslolutie van 3 april 1645 werd hem de rang toegestaan van extra-ordinaris Raad van Indië onder voorwaarde, dat hij zijn diensttijd van drie jaar in Malakka zoude doorbrengen.
Na bekomen vergunning van den Raad van Indië reisde Van Vliet nog hetzelfde jaar voor particuliere affaires naar Batavia, waar hij einde november aankwam. [11]Hij werd daar in een proces gewikkeld tegen den opperkoopman Dirck Snouck, die als tweede persoon in Malakka gediend had; het voornaamste punt der kwestie raakte de Compagnie, namelijk dat in de Directie van Compagnie's zaak in Malakka zeer frauduleus zoude zijn gehandeld. [12] Bij uitspraak van den Raad van Justitie van 18 Augustus 1646 werden Van Vliet en Snouck beiden gesuspendeerd in ambt, qualiteit en gage. [13]
Van de gelegenheid der inauguratie van Cornelis van der Lijn als Gouverneur-genraal maakten Van Vliet en Snouck gebruikt om opheffing der suspensie te verzoeken, die hun op 20 october 1646 door den Raad van Indië werd toegestaan. Naar Malakka terugkeeren zou Van Vliet evenwel niet meer. Bij resolutie van 11 december 1646 droegen Gouverneur-generaal en Raden hem het commando over de retourvloot op. Met negen retourschepen arriveerde Jeremias van Vliet in Augustus 1647 in het vaderland. Hij vestigde zich metterwoon in zijne geboortestad Schiedam, waar hij in 1652 zitting in de vroedschap kreeg; Van Vliet overleed aldaar in februari 1663.