Beschrijving eener verzameling papieren, afkomstig van den vice-admiraal Carel Hendrik Ver Huell en van zijn broeder Christiaan Anthonie Ver Huell 1931

Beschrijving van het archief

Inhoud en structuur van het archief

Verantwoording van de bewerking
In het jaarverslag over 1930 werd de wenselijkheid uitgesproken om van de nu geheel verenigde papieren van de admiraal Ver Huell één inventaris samen te stellen; bij nader inzien is daarin ook de beschrijving van de papieren van zijn broer Christiaan opgenomen en is van de diverse collecties aldus één verzameling gevormd
Zoals reeds gemeld is, was een gedeelte van de in 1855 verworven stukken beland in de departementsarchieven van Buitenlandse Zaken en van Marine. Het opsporen van deze stukken kostte betrekkelijk weinig moeite, aangezien zij enerzijds in afzonderlijke omslagen waren bewaard en anderzijds gemakkelijk waren te herkennen aan de aantekeningen die de admiraal er eigenhandig op had geplaatst. Van de in de Gestie met name genoemde stukken werden evenwel niet terug gevonden: een memorie van de ingenieur Blanken over de verdediging van Den Helder uit 1801, in augustus 1810 aan Ver Huell medegedeeld, benevens rapporten van de majoor der artillerie Alpy over de staat van bewapening van de forten aan Den Helder en over de proefnemingen met het geschut in 1812 [1]. Het onderzoek naar deze stukken bracht, wat het merendeel betreft, hun semi-officiële of particuliere aard aan het licht. Alleen die stukken, waarvan door middel van uiterlijke kentekenen met afdoende zekerheid kon worden vastgesteld, dat zij oorspronkelijk deel hadden uitgemaakt van het archief, waarbij zij in 1855 waren ondergebracht, werden op hun plaats gelaten. Verreweg de meerderheid is met de overige papieren van de admiraal herenigd, waaruit omgekeerd de stukken verwijderd zijn, die met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid in de officiële archieven thuisbehoorden
Bij de indeling van de inventaris is aan Christiaan Anthonie Ver Huell als oudere broer de voorrang verleend boven de admiraal, al nemen dan ook de van laatstgenoemde afkomstige stukken de belangrijkste en omvangrijkste plaats in. Zij vormen derhalve de tweede afdeling van de inventaris. Hierna volgen de door de schout-bij-nacht Ver Huell omtrent zijn vermaarde oom bijeengebrachte stukken, terwijl de stukken, aangetroffen onder de papieren van de admiraal met betrekking tot diens echtgenote en diens zoon, eveneens in afzonderlijke afdelingen zijn overgebracht. Voor de nadere indeling is het systeem gevolgd dat Bakhuizen van den Brink - zij het met een ander doel - in 1855 verklaarde te hebben aangenomen. Het bleek ondoenlijk om de wijze, waarop de admiraal in het laatst van zijn leven zijn papieren geordend had, in haar geheel te handhaven, temeer, omdat zij slechts een gedeelte van de stukken betrof, namelijk die, welke bestemd waren om als toelichting te dienen tot zijn eigenhandige levensbeschrijving. Nochtans is er bij de nieuwe ordening van zijn archief naar gestreefd om de door hem gevormde omslagen zoveel mogelijk te reconstrueren en intact te laten. Ten einde de herkomst van de nummers te verduidelijken, worden zij in de inventaris voorafgegaan door de letters X, Y of Z, respectievelijk ter aanduiding van de aanwinsten Ver Huell 1855, 1881 en 1930/1931, met dien verstaande, dat de stukken, in 1855 aangekocht, doch weer aan derden afgestaan, beschouwd zijn niet tot de aanwinsten uit dat jaar te behoren.
Bij de bewerking voor EAD, zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd. Daar waar mogelijk zijn de opmerkingen in N.B. bij een beschrijving in de beschrijving zelf opgenomen. De spelling is gemoderniseerd, met uitzondering van oude titels en opschriften die zijn overgenomen. Franse revolutiedata zijn niet overgenomen, behalve als ze in een beschrijving zelf vermeld staan. De verwijzing naar aanwinstletter X, Y, of Z. is opgenomen onder een apart unitid met het label "aanwinst". Verder zijn verwijzingen naar andere archieven en literatuur opgenomen.