Inventaris van de papieren van Lodewijk Constantijn Rabo Copes van Cattenburch (1776-1842) en van de geslachten Van Mierop, Ten Damme en aanverwante geslachten 1977

Beschrijving van het archief

Geschiedenis van de archiefvormers

Lodewijk Constantijn Rabo Copes van Cattenburcht
Lodewijk Constantijn Rabo Copes van Cattenburch werd op 3 september 1776 in Gouda geboren als zoon van de schepen Johan Carel van Cattenburch en Johanna Maria Slicher. In 1794 werd hij inspecteur van de directe belastingen in het arrondissement Rotterdam. Deze positie behield hij na de Bataafse omwenteling. Het wetgevend Lichaam wees hem in 1798 aan om onder de agent van Financiën, Alexander Gogel, wetten te ontwerpen voor een nieuw belastingstelsel. In 1801 kwam mede door zijn toedoen de wet op de grondbelastin, in 1806 een volledig belastingstelsel tot stand
Om op de invoering van het stelsel toe te zien werd hij in 1806 benoemd tot directeur van de inspectie der directe belastingen van het kantoor te Arnhem. De wijze, waarop hij de toepassing der nieuwe stelsel wist te bewerkstelligen in een provincie, die tevoren nauwelijks belasting opbracht, gaf koning Lodewijk Napoleon aanleiding hem te benoemen tot inspecteur-generaal van de nationale middelen voor het gehele Koninkrijk Holland. Zijn positie bleef, zij het onder wisselende titulatuur, gehandhaafd tijdens het Keizerrijk en na de onafhankelijkheidsverklaring van 1813
Op 10 januari 1816 benoemde koning Willem I hem tot referendaris 1e klasse binnen het departement van Financiën. Tien dagen later werd hij inspecteur-generaal der in- en uitgaande rechten en accijnzen, terwijl hij tevens opdracht kreeg om ontwerpen van wetten op te stellen voor een belastingstelsel voor het gehele Koninkrijk der Nederlanden. Dit was, vooral vanwege het wantrouwen van de notabelen in de Zuidelijke Nederlanden tegen 's Konings financiële politiek, geen gemakkelijke taak. Weldra begon copes van Cattenburch over de organisatie van de belastingadministratie van mening te verschillen met zijn superieur Jean Henri Appelius. In juni 1821 werd hij benoemd tot staatsraad in buitengewone dienst en administrateur der directe belastingen. Zijn positie onder directeur-generaal Appelius was echter van dien aard, dat hij een jaar later na toezing van verscheidene vertogen tegen de voorstellen van Appelius over de nieuw in te voeren belastingwetten om ontslag verzocht. In 1823 werd hem dit verleend.
Na dit ontslag verloor hij echter niet het vertrouwen van de koning. Deze benoemde hem in 1824 tot burgemeester van Den Haag, toen voor het eerst een ééhoofdig burgemeesterschap in de residentie werd ingevoerd. Copes van Cattenburch streefde ernaar, Scheveningen als kuuroord exploitabel te maken: van hetm is het plan afkomstig om een verversingskanaal van Den Haag naar Scheveningen te graven, waarvan hij de voltooing niet heeft kunnen meemaken. Wel wer reeds in 1828 een badhuis voltooid [1].