Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

a. Holland en de achteruitgang van de Compagnie
De Vierde Engelse oorlog bracht de VOC, die haar jaarrekening vanaf het tweede kwart van de 18e eeuw al niet meer met een batig saldo had kunnen afsluiten, op de rand van het bankkroet.
Haar bezittingen overzee, werden een prooi van de Engelsen, haar retourschepen konden de Republiek niet meer bereiken en haar crediteuren vroegen alle op korte termijn opeisbare voorschotten (de zgn. anticipatiepenningen) op. Om een faillissement te voorkomen moesten de provincies uitstel van betaling (handlichting) verlenen, grote leningen verstrekken en zich garant stellen voor de terugbetaling van leningen die door anderen werden gegeven.
Vooral Holland, dat bij het voortbestaan van de Compagnie van alle provincies het meeste belang had, moest diep in de buidel tasten.
Drie kwart van de compagniesleningen werd in de jaren na 1780 door deze provincie gegeven of gegarandeerd (wat uiteindelijk op hetzelfde neerkwam). Natuurlijk verlangde Holland zekerheden. In mei 1782 kreeg het alle goederen, koopmanschappen en inkomsten van de maatschappij in onderpand en sinds juni van hetzelfde jaar liet het personele commissies controle uitoefenen op het gebruik van de voorgeschoten en gegarandeerde gelden. Hiertoe werden achtereenvolgens ingesteld de personele commissie tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie (1782-787), de personele commissie tot onderzoek naar de tegenwoordige staat van financiën der Oost-Indische Compagnie en haar militair en mercantiel vermogen (1788-1789), de Hollands-Zeeuwse Staatscommissie tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie (1790-1795) en het Committé tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie (1795-1796).
Behalve met de controle van de uitgaven van de Compagnie hielden deze commissies zich vanaf het eerste begin ook bezig met de zo noodzakelijke verbetering van het bestuur van de maatschappij en de vergroting van de invloed van de provincie daarin. Plannen in die richting (toevoeging aan het bewind van meerendeels door Holland benoemde commissarissen of beëdigde hoofdparticipanten) stuitten echterop hardnekkige tegenstand van het bewind zelf, dat van overheidsbemoeinis niet gediend was, en van Zeeland, dat zich tegen een nog grotere Hollandse overheersing verzette. De inspanningen van de eerste personele commissie leverden niet meer op dan de toevoeging in 1786 van zes Hollandse bewindhebbers aan de kamer Amsterdam, die als het Vijfde Departement controle moesten uitoefenen op het bestuur van de compagnie en verplicht waren ook aan de Staten van Holland hierover verslag uit te brengen. De beslissing hierover werd door de Staten-Generaal met de kleinst mogelijke meerderheid genomen en de uitvoering ervan aanvankelijk door de Staten van Zeeland geboycot. [1]