Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

b. Samenwerking tussen Holland en Zeeland en instelling van de Hollands-Zeeuwse Staatscommissie
Toen het bewind in 1788 bij Holland en Zeeland opnieuw om financiële steun aanklopte, benoemden de Staten van Holland een nieuwe personele commissie, die de financiële staat van de Companie en haar militaire en commerciële vermogen moest onderzoeken. [1] Samenwerking bleek noodzakelijk met de personele commissie die de Staten van Zeeland met hetzelfde doel had benoemd. Er moesten namelijk schikkingen worden getroffen met betrekking tot de financiële verhouding tussen de Hollandse kamers en de kamer Zeeland. Zeeland was hierbij van de medewerking van Holland afhankelijk; Holland wilde zo snel mogelijk een evenredige bijdrage van Zeeland aan de Financiële ondersteuning van de Compagnie. [2]
Op basis van het rapport van de besprekingen tussen beide personele commissies besloten Holland en Zeeland de Compagnie opnieuw financieel te steunen. Ze kwamen overeen dat in het vervolg Holland drie vierde en Zeeland één vierde deel subsidies voor hun rekenig zouden nemen. Ze hechtten hun goedkeuring aan de instelling van een personele commissie met zes Hollandse en twee Zeeuwse leden, die namens beide provincies toezicht moest houden op het bestuur van de Compagnie. Ze werden het eens over een voorstel aan de Staten-Generaal om het Vijfde Departement, dat na de omwenteling beschouwd werd als een middel om opperbewindhebber Willem V zijn invloed te ontnemen en dat nauwelijks had gefunctioneerd, tot na een preparatoir besogne, belast met het opstellen van het voorbereidend rapport aan de vergaderingen van de Zeventienen, te degraderen. [3]
De provincies wilden voor hun plan om een personele commissie in te stellen de goedkeuring krijgen van de Staten-Generaal om "bewindhebberen, die onder octrooi van hun Hoog Mogende het bestuur voeren, alle huiverigheid te beneemen om die Politique Commissie te erkennen". [4] Niet alle bondgenoten waren echter even enthousiast. De Utrechts gedeputeerden verklaarden op 23 maatr 1790 dat zij het redelijk en billijk vonden dat aan de Staten van Holland en Zeeland, in verband met de grote bedragen die zij de Compagnie hadden voorgeschoten, "alle mogelijke gerustheid werde bezorgt", maar dat zij nooit zouden instemmen met "zoodanige schikkingen, waar door die Maatschappij met de daad zou ophouden een Generalitiets Etablissement te weezen, maar veel eer het eigendom van die twee Provincien zoude uitmaaken, en alleen aan dezelve verantwoordelijk zoude worden". Meer dan het recht op informatie wilden zij Holland en Zeeland niet toestaan. [5] Maar de meerderheid had er geen bezwaar tegen dat beide provincies de Compagnie onder curatele stelden. De opposanten wisten slechts te bereiken, dat in de resolutie van 14 mei 1790 waarbij de Staten-Generaal hun instemming betuigden met het plan van Holland en Zeeland, uitdrukkelijk werd bepaald, dat de commissie zou ophouden te bestaan als de voorgeschoten gelden aan Holland en Zeeland waren terugbetaald en dat haar bestaan geen inbreuk zou betekenen op de soevereiniteit van de Staten-Generaal over de VOC en hun bevoegdheid om van het bewind te allen tijde opening van zake te krijgen. [6]