Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

e. Middelen tot herstel van de Compagnie
De Staatscommissie bereidde niet alleen financiële steunmaatregelen voor, maar ook structurele hervormingen van de leiding en de werkwijze van de Compagnie. In hun rapporten van januari en juli 1791 stelden de Hollandse gecommitteerden een groot aantal vergaderingen voor in de administratie in de Republiek, de wijze van handel drijven en het beheer van bezittingen overzee, waar commissarissen-generaal orde op zaken zouden moeten stellen. De aanbevelingen waren grotendeels ontleend aan memories die hoofdparticipant Guill. Titsingh en de Amsterdamse bewindhebbers Falck, Craeyvanger en Scholten bij het bewind en de commissie hadden ingediend. [1]
Ook beraamde de commissie maatregelen om de verkopingen van de Compagnie te reguleren. De retouren moesten voortaan bij afslag worden verkocht en de onverkocht gebleven goederen zouden niet langer alleen op vastgestelde tijden opnieuw in openbare veiling worden gebracht, maar te allen tijde en ook onderhands mogen worden verkocht. Een commissie van de bewindhebbers werd benoemd om de verkopingen te leiden.
Deze veranderingen, die op zich al hevige protesten van de handel leidden, vormden de basis van een plan tot verregaande prijsregulering. Om dit plan in het diepste geheim te kunnen doorvoeren werden de gecommitteerden eind 1791 door Holland en Zeeland gemachtigd onder bepaalde voorwaarden "uit te denken en dadelijk in te voeren zodanige Poincten van bezuiniging hier te lande, en nuttige schikkingen tot het welzijn van de Oost-Indische Compagnie als zij ten meesten nutte van dezelve Compagnie...zullen oordeelen te behooren". Enkele maanden later liet de Staatscommissie de commissie tot de verkopingen een geheime conventie sluiten met Cohen & Cie, waarbij dit handelshuis zich tegen ruime betaling verplichtte bodemprijzen vast te stellen en goederen eventueel tegen die bodemprijzen uit de markt nemen. [2]
De doorvoering van de hervormingen werd vertraagd door corrupte en incompetente bestuurders van de compagnie in de Republiek en overzee en leverde, evenals de zending van de commissarissen-generaal, niet de resultaten op die ervan waren verwacht. Nieuwe geldleningen leken in een bodemloze put te verdwijnen en de provincies bleken steeds minder bereid en in staat hun financiële steun voort te zetten. Vanaf eind 1793 gaf Holland alleen nog subsidies die er specifiek op waren gericht om de retouren op de compagniesveilingen te brengen. Zeeland was toen al niet meer in staat aan eerder aangegane subsidieverplichtingen te voldoen. De Staatscommissie, die als buffer en trait d'union tussen de Compagnie en de Staten had gefunctioneerd, nam afstand van de Compagnie. De Hollands gecommitteerden beraadden zich op last van de Staten op maatregelen om het bewind nog vóór de val van de maatschappij te concentreren en om de oostindische handel en bezittingen van de Compagnie, die het onderpand vormden van de kapitalen die de provincie had voorgeschoten, te redden als de val van de maatschappij niet meer was uit te stellen.