Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

f. Het Comitté tot de zaken van de Oost-Indische Compagnie, 1795-1796
Kort na de omwenteling, op 30 januari 1795, vervingen de Provisionele Representanten van het Volk van Holland (de opvolgers van de Staten) de gecommitteerden Van der Does, Van de Wall, Dedel en van Stralen door Brouerius van der Velden, Johan du Tour, Titsingh en Christiaan Beresteyn, die de werkzaamheden van hun voortgangers als Committé van de Provisionele Representanten tot de zaaken van de Oost-Indische Compagnie voortzetten. [1] Ook Abeleven moest het veld ruimen. De nieuwe gecommitteerden stelden Hoefhamer, die in 1790 vanwege zijn patriottische sympathieën was afgevoerd, weer als amanuensis aan. [2]Van de diensten van advocaat-consulent Boers besloten zij geen gebruik meer te maken. [3]
Het Comitté nam van Abeleven het archief van de Staatscommissie over en van de commissie tot de verkopingen een verzegeld kistje met 38 documenten. Dat kistje was door deze commissie in het VOC-logement in Den Haag in een eveneens verzegelde kast geplaatst en tijdens de omwenteling door de kastelein van dit logement in een appartement in de tuin in een ton met hooi verstopt. Omdat openbaarmaking van de stukken, die voor een belangrijk deel betrekking hadden op de geheime maatregelen ter regulering van de prijzen, een storm van verontwaardiging zou veroorzaken, besloot het Committé ze buiten de openbaarheid te houden en in zijn eigen archief te incorporeren. [4]
Het Committé kreeg soortgelijke bevoegdheden als de Staatscommissie had gehad. [5]Met de Zeeuwse gecommitteerde Schorer en Van Houtte, die in functie waren gebleven, bleef het schriftelijk contact onderhouden, maar gemeenschappelijke vergaderingen werden ondanks Zeeuwse protesten niet meer gehouden. Zeeland kon de Compagnie al enige tijd niet meer naar evenredigheid subsidiëren. De schulden van de kamer Zeeland aan de andere kamers groeiden daardoor tot zo'n hoogte, dat deze in 1796 zelf overwogen bij de Staten-Generaal op maatregelen aan te dringen. Omdat Holland noch bereid noch in staat was aan Zeeland de subsidiegelden voor te schieten, kwam aan de Hollands-Zeeuwse samenwerking de basis te ontvallen.
Het Committé stond dichter bij de compagnie dan zijn voorgangster in 1794. De éminence grise van de VOC, hoofdparticipant Titsingh, de belangrijkste inspirator van de hervormingsvoorstellen van de Staatscommissie, was "het roer van het schip". [6] Hij vond evnals zijn collega's het oude bewind "nutteloos"en "hinderlijk" [7]en streefde naar concentratie van het bestuur door afschaffing van de kamers. De torenhoge schuldenlast van de Compagnie weet hij echter niet aan het onvermogen van het incompetente bewind om de huishouding aan te passen aan de veranderde internationale commerciële verhoudingen, maar uitsluitend aan de gevolgen van de Engelse oorlog en hij wilde van haar opheffing niets weten. De Provisionele Representanten, wie het nu juist om de wijze van opheffing van de Compagnie te doen was, konden zich dan ook niet verenigen met het rapport dat Titsingh en zijn collega's op 15 juni 1795 uitbrachten,. Ze stelden zes toegevoegde leden aan en gaven het aldus uitgebreide Committé opdracht een voorstel te formuleren tot onmiddellijke vernietiging van het college van bewindhebbers en vervanging daarvan door een generaal committé. [8]
Op grond van het meerderheidsrapport van het uitgebreide Comittée (de drie oorspronkelijke leden waren tegen) deden de Hollandse gedeputeerden op 17 september 1795 in de staten-generaal het voorstel onder handhaving van het octrooi de colleges van bewindhebbers af te schaffen en een (generaliteits-) Committé tot de zaaken van de Oostindische Handel en Bezittingen in te stellen dat voor het merendeel uit Hollanders zou bestaan. De provincie verklaarde zich niet bereid de Compagnie verder te ondersteunen voordat de bondgenoten dit voorstel hadden aanvaard. [9]Ondanks vele bezwaren ging de meerderheid met dit plan accoord, zodat het generaliteitscommitté op 1 maart 1796 met zijn werkzaamheden kon beginnen. [10]
Het leek het (provinciaal) Committé voegzaam, "daar deeze commissie ten einde liep, dezelve met een kort rapport te sluiten". Maar verder dan een conceptrapport kwam het niet. [11]Op 5 februari bepaalden de Provisionele Representanten, dat, in verband met de nieuwe bestuursinrichting, "alle qualificatiën en lasten op eenigerhande Committé's door de Provisionele Representanten gegeeven, en alle personeele Commissies uit hun midden gedecerneerd, nu voor als dan, gehouden (worden) op den Eersten April deezes Jaars te cesseeren en buiten effect te zijn". [12]