Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van het archiefbeheer

g. Archieven overgedragen aan de staat en ingevoegd in de koloniale archieven.
Het algemene Committé tot de zaken van de Oostindische Handel en Bezittingen was in de archieven van het provinciale Committé zeer geïnteresseerd. Al op 10 maart 1796 benoemde het een commissie die "van de burgers Titsingh en verdere leden van de geweezene personeele commissie van Holland tot de Oost-Indische zaken...de papieren tot hunne commissie behoort hebbende" moest overnemen. [1] Maar Titsingh gaf de papieren die hij in bewaring had niet graag uit handen. Op 13 januari had hij zijn collega's Du Tour en Beresteyn, die om afgifte van de kist met de papieren van de vorige Staatscommissie waren komen vragen, ook al met lege handen naar huis gestuurd. Hij had hen er toen op gewezen, "dat deeze papieren meede toebehoorden aan de leeden der Zeeuwsche Staats Commissie" en hen "daar deselve thans onder de custodie waaren van iemand, die niet konde geconsidereert worden van alle relatiën dienaangaande ontbloot te zijn, zoo lang zijn demissie niet bij de provisioneele Representanten van 't Volk van Holland aangenomen was", in consideratie gegeven "of het thans wel voegzaam zoude zijn, om die verplaatzing te doen op een ogenblik dat deeze Commissie door een nieuw bewind stond vervangen te worden". [2]Nu verklaarde hij dat hij, als enig present lid van van de voormalige Staatscommissie, "geene papieren konde overhandigen die niet de zijne, maar het eigendom van de Commissie waren", maar dat hij de wens van het Oostindische Committé aan zijn medeleden zou overbrengen. [3] Toen ook herhaalde verzoeken niets opleverde, liet het Oostindische Comitté het er verder maar bij zitten. [4]
In 1801 probeerde de Aziatische Raad, die het Oostindische Committé een jaar eerder was opgevolgd, het opnieuw. Bij Titsingh en de andere overblijvende leden van de voormalige "Staatscommissie uit het Gewest Holland" werd geïnformeerd of zij "zwarigheid zouden maken aan gemelden raad te cederen de onder hun berustende en voor de deliberatiën van de raad belangrijke papieren behoord hebbende tot de opgemelde Staats Commissie". Titsingh c.s. verklaarden zich hiertoe ten vole bereid, "mids zij alvorens, tot hunne decharge, daartoe met een speciale authorisatie van wegens het Bewind wierden gemunieerd". Na verlening van die autorisatie op 7 april 1801 droegen zij de archieven over aan het Departement tot de Indische zaken van de Aziatische Raad. [5]
Het Departement van Koloniën van het Ministerie van Koophandel en Koloniën (de opvolger van de Amerikaanse en Aziatische Raden) bracht zijn archieven en de archieven die het had overgenomen bijeen in het pakhuis "Batavia" in Amsterdam. Blijkens de inventaris die rond 1810 (het jaar waarin het ministerie werd opgeheven) werd opgemaakt, bevonden zich daar ook de archieven van de Oost-Indische Compagnie (die op 24 december 1795 aan het Oostindische Committé waren toegewezen) en de archieven van de staatscommissies van 1790 en 1795. [6]In 1828 kreeg ambtenaar De Munnick van de minister van Marine en Koloniën opdracht de Oostindische archieven, die inmiddels waren overgebracht naar het West-Indisch Magazijn in Amsterdam, opnieuw te inventariseren. De archieven van de Staatscommissie en haar opvolger beschreef hij uitsluitend op de minuutbrieven van de kamer Amsterdam aan de Staatscommissie. [7] Ook in het proces-verbaal dat in 1856 werd opgemaakt bij de overdracht aan het Rijksarchief (nu: Nationaal Archief) van deze archieven (die sinds 1832 in het West-Indisch slagthuis in Amsterdam berustten) werden de archieven van de commissies na de correspondentie van de kamer Amsterdam vermeld. [8]