Inventaris van de archieven van de gewestelijke besturen in de Bataafs-Franse tijd, 1795-1807, en hiermee samenhangende commissies, 1782-1802
Bataafs-Franse tijd - Zaken van Oost-Indische Compagnie

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van het archiefbeheer

h. De stukken krijgen hun zelfstandige status terug
Hierdoor in verwarring gebracht, beschreef H.T. Colenbrander, die tegen het einde van de vorige eeuw de herinventarisatie van de archieven van de VOC ter hand nam, de commissie-archieven als onderdeel van het archief van de kamer Amsterdam onder inv.nrs. 491-571. Maar al gauw zag hij zijn vergissing in. Op 10 juni 1898 schreef hij aan rijksarchivaris Van Riemsdijk: "Het is mij sedert gebleken dat dit geen bij het bestuur der Compagnie ingekomen stukken zijn, maar compleete archieven van twee Staatscommissies, waarvan de tweede de archieven van de eerste overnam, en deze, met haar eigene vermeerderd, weder naliet aan hen in 1796 opgetreden meervermelde Committé tot de Zaaken der Oost-Indische Handel en Bezittingen", dat in datzelfde jaar ook de archieven van de O.I.C. overnam. "Zoo zijn zij tegelijk met de archieven der OIC op het Rijksarchief (nu: Nationaal Archief) gekomen en ten onrechte als onderdeel van het archief der OIC geplaatst en behandeld". [1]Toen de Hullu in 1905 de inventarissen van Colenbrander een doorlopende nummering gaf (de zgn. KA-nummering), liet hij de inventaris van de Hollandse commissies dan ook buiten beschouwing. Deze kreeg een eigen nummering, die tot dusver in gebruik is gebleven.
De archieven van de Staatscommissie en het Committé waren nog steeds achter de archieven van de VOC geplaatst, toen de Rijksarchivaris in Zuid-Holland naar aanleiding van de inventarisatie van L. Zoodsma van het archief van de Provinsionele Representanten van het volk van Holland in januari 1983 zijn collega van de Eerste Afdeling om overdracht van het archief van het Committé verzocht. De Rijksarchivarissen kwamen overeen, dat niet alleen het archief van het Committé zou worden overgedragen, maar ook het archief van de Staatscommissie, dat in feite gevormd was door de Hollandse gecommitteerden en vrijwel alleen van hun werkzaamheden de neerslag vormde.
Het werd uiteindelijk niet wenselijk geacht de commissie-archieven in de archieven van de Staten van Holland en die van de Provisionele Representanten in te voegen. Vast staat dat ze daarvan nooit deel hebben uitgemaakt. De commissie van 1790 was een personele commissie en had in die hoedanigheid vooral een adviserende functie. Het was haar lastgevers om haar rapporten te doen, niet om de bouwstoffen daarvan. Voor het archief van het Committé van 1795 geldt min of meer hetzelfde. In tegenstelling tot de andere Committé's die door de Provisionele Representanten werden ingesteld, had het niet het karakter van een uitvoerend orgaan of een departement van bestuur. Het was in feite net als zijn voorgangster een personele commissie en werd ook dikwijls als zodanig aangeduid. Dat zijn archief en dat van zijn voorgangster in handen van de overheid zijn gekomen is te danken aan de belangstelling van het Oostindische Committé en de Aziatische Raad, die de stukken bij hun deliberatiën konden gebruiken.
Voorts leek het zinvol het onderlinge verband tussen beide archiefjes te bewaren. Continuïteit in de werkzaamheden van de commissies en van de VOC vóór en na 1795 heeft een inhoudelijke en een chronologische overlapping tot gevolg gehad. Een voorbeeld hiervan is het archiefje van de commissie tot de verkopingen (1791-1792), dat in het archief van het Committé (1795-1796) is geïncorporeerd.
Het behoud van de zelfstandigheid en het onderlinge verband tussen beide archiefjes maakte het mogelijk bij de herinventarisatie (die vóór de overdracht op de Eerste Afdeling werd uitgevoerd) een grotere toegankelijkheid te verwezenlijken dan bij commissiearchiefjes gebruikelijk en bij incorporatie in een groter geheel mogelijk zou zijn geweest. Dit was van belang, omdat de archiefjes stukken bevatten die voor het onderzoek naar de Compagnie in haar nadagen van groot belang zijn en die voor een deel niet meer in de archievenvan de VOC zijn terug te vinden. Vergroting van de toegankelijkheid is bij die inventarisatie niet gezocht in een detaillering van de inventaris van deze seriearchieven (zij is ook in de nummering nagenoeg gelijk aan de bestaande) maar in de toevoeging van een systematisch repertorium. De systematiek daarvan wordt op p.568 toegelicht.