Inventaris van het archief van de commissarissen-generaal S.C. Nederburgh, S.H. Frijkenius c.s. Van de Verenigde Oostindische Compagnie en Taakopvolgers. (Hoge Commissie) 1791 - 1799

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

De geschiedenis van de Hoge Commissie
De eerste 'commissaris-generaal over geheel Indië' die werd benoemd door de Heren Zeventien, was Rijcklof van Goens jr. die in 1678 de opdracht kreeg de administratie van de buitenkantoren te Ceylon, Bengalen, Coromandel en Suratte te hervormen en corrupte Compagnie-dienaren te straffen. Na hem werden achtereenvolgens Frederik Lambertszoon Bent en Hendrik Adriaan van Reede tot Drakenstein, respectievelijk in 1680 en 1684, in hetzelfde ambt benoemd. De laatste overleed in 1691, waarna voorlopig geen opvolger meer werd aangesteld. Alle missies boekten weinig of geen resultaat.
In het laatste decennium van de 18e eeuw verkeerde de Compagnie in een deplorabele toestand. Om het tij nog enigszins te keren benoemden de prins van Oranje, als opperbewindhebber, en de Heren Zeventien op 23 mei 1791 de eerste advocaat van de Compagnie, Sebastiaan Cornelis Nederburgh [2] en de kapitein-ter-zee Simon Hendrik Frijkenius [3], tot commissarissen-generaal over alle Compagnie's bezittingen in Indië en van Kaap de Goede Hoop. Nederburgh was, gezien de hoogte van zijn bezoldiging, de eerste man. Frijkenius werd ook tot bevelhebber van de Indische marine benoemd. De nieuwbakken commissarissen werden op 19 augustus 1791 voorzien van een commissie en een gedetailleerde instructie [4]. Hun missie had als doel de misstanden in de administratie in Kaap de Goede Hoop en in Indië ter plaatse te onderzoeken en te hervormen. Ook zouden corrupte dienaren, van hoog tot laag, ontslagen moeten worden, overgedragen worden aan justitie of op de boot gezet worden naar het vaderland. De commissie, ook wel 'Hoge Commissie' genoemd, kreeg grote volmachten toebedeeld, zoals het afsluiten van contracten met vorsten binnen het octrooigebied. Veel kans van slagen had de missie al bij voorbaat niet, want de zittende gouverneur-generaal, Willem Arnold Alting en de directeur-generaal, H. van Stockum, werden eveneens als commissaris-generaal benoemd.
Het duurde echter nog tot december van dat jaar voordat Nederburgh en Frijkenius aan boord gingen van een fregat dat hen naar Kaap de Goede Hoop zou brengen, waar ze op 12 juni 1792 aankwamen. In de genoemde instructie was hen op het hart gedrukt de lange strijd tussen kolonisten en Compagnie-ambtenaren aldaar te beëindigen. Dit lukte maar ten dele, want de eis van de kolonisten om zonder belemmeringen hun producten te kunnen uitvoeren, werd niet toegestaan. Al tijdens hun verblijf aan de Kaap kwamen allerlei meningsverschillen tussen de beide commissarissen aan het licht die in Batavia nog zichtbaarder werden en onoverbrugbaar bleken.
Op 2 september 1793 vertrok hun schip richting Batavia, waar op 13 november van dat jaar voet aan wal werd gezet. Nadat Nederburgh en Frijkenius twee dagen later feestelijk waren ingehaald, begon de tegenwerking van de Hoge Regering op gang te komen. Directeur-generaal en mede-commissaris Van Stockum was inmiddels op 24 juni van dat jaar overleden. In strijd met de instructie werd Siberg, schoonzoon van Alting, door de overgebleven drie commissarissen op 14 december 1793 benoemd tot de vierde commissaris. Siberg nam op dat moment al het directeurschap waar, in afwachting van de komst van Willem Jacob van de Graaff, gouverneur van Ceylon, die door de Heren Zeventien al was voorbestemd om de beide functies van Van Stockum te gaan vervullen. Ook zou hij te zijner tijd Alting als gouverneur-generaal opvolgen. De benoeming van Siberg -ook al was die formeel tijdelijk- maakte een krachtdadig optreden van de Hoge Commissie onmogelijk. Nederburgh, die voor zijn vertrek nadrukkelijk door de prins van Oranje was gewaarschuwd voor Alting, werd binnen afzienbare tijd diens kamp ingetrokken. Het was een publiek geheim dat de gouverneur-generaal en zijn familie zich sinds jaar en dag op ongeoorloofde wijze hadden weten te verrijken. Frijkenius daarentegen bleef tot zijn dood, op 6 juni 1797, proberen zijn instructie naar eer en geweten uit te voeren.
Eind 1794 arriveerde Van de Graaff in Batavia om zijn rechtmatige positie van directeur-generaal en commissaris-generaal in te nemen. De Hoge Commissie weigerde hem dat, bij meerderheid van stemmen, omdat hij onvoldoende bekend zou zijn met de zaken die omgingen in de Indische regering. Pas in december 1795 werd door de Hoge Regering een voorstel aangenomen om de Hoge Commissie te verzoeken om Van de Graaff alsnog als directeur-generaal plaats te laten nemen in de Hoge Regering. Ook zouden Frijkenius en Van de Graaff benoemd worden in een commissie die zich zou gaan bezighouden met de defensie van Batavia. Beide voorstellen werden aanvaard in de Hoge Commissie in hun vergadering van 7 december, met Nederburgh als enige tegenstemmer. De koerswijziging van Alting en Siberg was het directe gevolg van de 'democratische' gebeurtenissen in patria die ook inmiddels bekend waren bij de burgers in Batavia. Zij eisten in een adres aan de regering invloed in het bestuur en dat boezemde de zittende magistraten diepe angst in. Nederburgh verliet beledigd de vergadering. Binnen enkele dagen had hij een remedie gevonden: alle belangrijke zaken zouden voortaan behandeld worden in gecombineerde vergaderingen van de Hoge Regering en de Hoge Commissie [5]. Deze samenstelling zou hem ervan verzekeren dat er geen hem onwelgevallige beslissingen werden genomen. Vanaf 10 december zouden deze vergaderingen regelmatig plaatsvinden, onder het presidentschap van Nederburgh.
Na een reeks vage beschuldigingen van Nederburgh aan het adres van Van de Graaff en met instemming van het merendeel van de aanwezigen bij de gecombineerde vergadering, werd Van de Graaff begin 1796 op de boot naar het vaderland gezet. Daar aangekomen werd hij echter volledig gerehabiliteerd. Siberg haastte zich vervolgens de positie van directeur-generaal weer in te nemen.
Op 17 februari 1797 volgde Pieter Gerardus van Overstraten Alting op als gouverneur-generaal en commissaris-generaal. De moegestreden Frijkenius overleed op 6 juni van dat jaar en werd niet meer vervangen, omdat aanvulling vanuit het vaderland niet mogelijk was. Nederburgh vroeg op 10 juli en 10 november 1797 ontslag bij het Comité tot de zaken van den Oost-Indische handel en bezittingen, dat hem in 1799 werd toegestaan. Op 28 september van dat jaar werd de commissie op plechtige wijze ontbonden en aanvaardde Nederburgh de terugreis naar het vaderland, waar hem na enig aandringen uiteindelijk bij resolutie van de Raad der Aziatische bezittingen en etablissementen van 17 november 1803 eervol ontslag werd verleend.
De resultaten van het werk van de Hoge Commissie waren pover. De tijd zat zeker niet mee: de Franse bezetting van het vaderland en de Engelse bezetting van een groot aantal buitenkantoren verergerden de toestand van de Compagnie nog meer. De voornaamste taak, de hervorming van administratie van de Compagnie, was zeker niet tot stand gebracht. De missie van de commissarissen-generaal kwam in feite te laat en was krachteloos. Corrupte ambtenaren hadden bijvoorbeeld hun financiële dwalingen kunnen afkopen en werden niet strafrechtelijk vervolgd. De voornaamste hervormingen die wel tot stand werden gebracht, waren de invoering van het ambtgeld en het toestaan van particuliere handel. Het laatste bleef echter een papieren maatregel door de tegenwerking van het ambtenarenapparaat. (Zie bijlage 1 voor een lijst van de leden van de commissie.)
In de 19e eeuw werd nog een aantal functionarissen met de titel van commissaris-generaal naar het toenmalige Nederlands-Indië gezonden, bijvoorbeeld de missie met C.T. Elout, G.A.G.P. baron van der Capellen en A.A. Buijskes in de jaren 1815 en 1816. (De archivalia van deze commissie zijn niet opgenomen in deze inventaris.)