Inventaris van het archief van de gouverneur-generaal en raden van Indië (Hoge Regering) van de Verenigde Oostindische Compagnie en taakopvolgers, 1612-1812

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Bewindhebbers en participanten
De 76 bewindhebbers die in 1602 aan het hoofd van de voorcompagnieën stonden, kregen na oprichting van de VOC de leiding over de nieuwe onderneming. Het octrooi met het monopolie en de, zij het voorlopig tot 21 jaar beperkte, duur van de onderneming gaf de bewindhebbers een andere positie dan voorheen. Zij vormden nu een werkelijke directie, een 'managerial group' met een eigen, van de participanten onderscheiden doelstelling. Weliswaar waren zijzelf ook belangrijke investeerders en als zodanig verschilden hun positie en belangen niet van die van de andere aandeelhouders. Maar als directie streefden zij naar groei van de omzet, en naar continuïteit en consolidatie, meer dan naar een winst op korte termijn die de kapitaalverschaffers snel rendement op hun investering zou kunnen bieden.[1] De bewindhebbers genoten daarbij de bescherming van het octrooi. Zij hoefden pas na tien jaar, dus na afloop van de eerste tienjarige kapitaalrekening, de boeken te openen en aan de participanten verantwoording af te leggen.
De inkomsten van de bewindhebbers waren gesteld op een bepaald percentage van de omzet: op één procent van de uitgaven voor de uitrustingen of equipages en op één procent van de opbrengsten van de verkopen van de retourgoederen. Het bewindhebberschap gold voor het leven. Bij benoeming van nieuwe bewindhebbers hadden participanten geen enkele invloed. Bewindhebbers waren gehouden voor een bepaald minimumbedrag in de VOC deel te nemen: f 6000 (in de kamers Hoorn en Enkhuizen f 3000). Dit bedrag werd opgevat als borg; bij wanbeheer of fraude kon een bewindhebber worden aangesproken. Overigens werd in het octrooi vastgelegd dat bewindhebbers voor schulden die door de Compagnie waren aangegaan, niet persoonlijk aansprakelijk waren. Aan bepalingen in het octrooi ten gunste van de participanten - de spoedige dividenduitkering uit de opbrengsten van de retouren en de liquidatie van het kapitaal na tien jaar - werd zoals gezegd door de bewindhebbers niet de hand gehouden. Kortom, tegenover het recht dat het octrooi aan de bewindhebbers gaf om de VOC te besturen stonden maar weinig verplichtingen, en daar werd dan nog de hand mee gelicht.
Het octrooi stelde het aantal bewindhebbers op zestig: twintig in de kamer Amsterdam, twaalf in Zeeland en zeven in elk van de kleine kamers. Aangezien bij de oprichting van de VOC in alle kamers behalve die van Hoorn, meer bewindhebbers waren, zou voorlopig bij het openvallen van een plaats geen nieuwe aanstelling volgen. De benoemingsprocedure die in 1602 was voorgeschreven, gaf aan de Staten van Holland, en voor de kamer Zeeland aan de Staten van Zeeland, het recht een kandidaat te kiezen uit een nominatie van drie personen, opgesteld door de nog zittende bewindhebbers van de desbetreffende kamer. Dit voorschrift was op aandringen van de Zeeuwen in het octrooi opgenomen. In Holland is het echter nooit toegepast. Enkele dagen voordat het octrooi werd uitgevaardigd, namen de Staten van Holland op voorstel van de stad Amsterdam een resolutie aan waarin de keuze uit de nominatie van drie aan de burgemeesters van de betrokken steden werd overgelaten. Immers, de burgemeesters hadden, zo argumenteerden de Amsterdammers, 'vaste kennisse' van de kwaliteiten van de kandidaten.
Het Zeeuwse streven om de keuze aan de Staten over te laten was mogelijk ingegeven om problemen in eigen kring te voorkomen. De situatie was er ingewikkelder dan in Holland. In de Zeeuwse voorcompagnieën hadden ook inwoners uit Veere en Vlissingen belangen gehad en deze steden wensten hun aandeel in de vaart op Azië na 1602 niet prijs te geven. Tenslotte wisten beide steden na veel ruzie ieder twee bewindhebberszetels in de Zeeuwse kamer te bemachtigen. Reeds in 1603 verloor Veere zijn zetel, doordat de bewindhebber Balthasar de Moucheron uit Veere zijn zetel opgaf. Herbezetting was toen niet aan de orde omdat er nog dertien bewindhebbers in functie waren, één meer dan in het octrooi was bepaald. Veere slaagde er naderhand niet meer in de tweede zetel terug te winnen, ondanks hardnekkige strijd die bij iedere benoeming weer terugkeerde. Middelburg hield vast aan de eenmaal verworven negen plaatsen en vond de Staten van Zeeland aan zijn zijde. De Staten van Zeeland hebben tot 1646 aan hun benoemingsrecht vastgehouden; daarna hebben de steden dit recht overgenomen, waarbij elke stad de eigen plaatsen mocht opvullen.
Het gevolg was dat er een nauwe relatie ontstond tussen de stedelijke regenten en de bewindhebbers. Partijstrijd, politieke tegenstellingen en 'cabalen' konden zo gemakkelijk de bewindhebberscolleges binnendringen. Uit de nauwe band tussen stedelijke regenten en VOC-bewindhebbers mag niet geconcludeerd worden dat kooplieden gaandeweg plaats moesten maken voor bestuurders; zeker in Amsterdam werd erop gelet dat handelskennis in het college behouden bleef. Een uitvloeisel van het gehanteerde benoemingsstelsel is overigens, dat in stedelijke archieven veelvuldig informatie te vinden is over de aanstelling van bewindhebbers.
Naast de zestig bewindhebbers waarover het octrooi van 1602 sprak, kwamen in de loop der tijd bewindhebbers van buiten de kamersteden in de bewindhebberscolleges. Dit zogeheten extraordinair of buitengewoon bewindhebberschap was ontstaan als gevolg van de eisen die verschillende provincies hadden gesteld nadat de Staten-Generaal in 1606 enige forse subsidies aan de VOC hadden toegekend. Omdat zij toezicht wilden hebben op de besteding van deze gelden kregen in 1613 en 1614 Gelderland, Utrecht, Friesland en de stad Dordrecht ('als eerste en voorsittende stad' in Holland) het recht ieder een bewindhebber aan te stellen. Dordrecht had al in 1602 gepoogd om via een georganiseerde kapitaalinleg van een groot aantal ingezetenen invloed in de VOC te krijgen. Dit streven kon de stad dus in 1614 verwezenlijken. In 1647, bij de tweede octrooiverlenging, kregen ook Overijssel en Stad en Lande zo'n post.
De perikelen die aan de tweede octrooiverlenging (in 1642) voorafgingen, gaven ook aan verscheidene Hollandse steden een mooie gelegenheid een bewindhebberspost te bemachtigen. Al in 1636 was er ruzie geweest tussen Dordrecht, Amsterdam en Haarlem. Het buitengewone bewindhebberschap van de eerstgenoemde stad was namelijk min of meer officieus overgegaan in een gewone, omdat de Dordtse vertegenwoordiger Elias Trip gedurende zijn ambtsperiode naar Amsterdam was verhuisd en vervolgens tot de gewone Amsterdamse bewindhebbers werd gerekend. Na Trips overlijden wenste Dordrecht deze situatie te continueren, maar Haarlem meende op grond van de rangorde van de steden in de Staten van Holland aan de beurt te komen en maakte derhalve aanspraak op de voorheen door Dordrecht bezette bewindhebbersplaats. Bij de discussie over continuering van het octrooi die spoedig daarop losbarstte, werd het de Compagnie duidelijk dat de steden in ruil voor steun aan verlenging iets moest worden aangeboden. Haarlem en Leiden kwamen er het beste vanaf; deze steden sleepten een gewone bewindhebbersplaats in de kamer Amsterdam in de wacht, die zij overigens pas in 1648 konden bezetten. Dordrecht kreeg naast het buitengewoon bewindhebberschap in de kamer Amsterdam een dergelijke plaats in één der kamers van het Zuiderkwartier (Delft en Rotterdam), later alleen in Rotterdam. Alkmaar mocht een bewindhebber aanstellen, die afwisselend in Hoorn en Enkhuizen zitting kreeg. Gouda kwam wat achteraan, maar wist tenslotte in 1665 een post te bemachtigen in de kamer Amsterdam. Veel later, in 1696, sleepte de Ridderschap van Holland nog twee gewone bewindhebbersplaatsen in de wacht in de kleine Hollandse kamers. Deze plaatsen werden boven het bestaande getal van zestig geteld.
Naar goed gebruik in de Republiek was de bestuursstructuur dus uiterst ingewikkeld geworden. Bovendien hielden de kleine kamers zich niet aan de formele regels. In de kamers van het Noorderkwartier, Hoorn en Enkhuizen, werd de buitengewoon bewindhebber van Alkmaar als een 'ordinaris' beschouwd. Deze bewindhebber nam steeds in die kamer zitting waar een plaats was vrijgekomen. Het betekende dat de kamer Hoorn dan wel Enkhuizen soms slechts zes bewindhebbers uit de eigen stad telde. Hetzelfde gebeurde na 1696 met de bewindhebber van de Ridderschap in de kamers van het Zuiderkwartier. [2]
Niet alleen in het aantal bewindhebbers, maar ook in hun beloning en verkiezing, en in de rol van de participanten werd in de loop van de zeventiende eeuw het een en ander gewijzigd. Bij de participanten heerste grote ontevredenheid over het niet nakomen van de in 1602 vastgelegde verplichtingen ten aanzien van dividendbetaling en de afwikkeling van het kapitaal, en over de geringe openheid van de bewindhebbers in financiële zaken. Bovendien ontstond bij participanten het vermoeden dat bewindhebbers zich ten koste van de Compagnie verrijkten. Dit leidde gedurende de termijn van het eerste octrooi tot felle ruzies. Bij de verlenging van het octrooi kwamen de Staten-Generaal voor een klein deel aan de klachten tegemoet. Allereerst werd de beloning van de bewindhebbers gewijzigd. De één procent provisie werd voortaan berekend over de uitgaven voor de uitredingen en over de netto- in plaats van de bruto-opbrengsten van de verkopingen. Dat betekende een verlaging van het honorarium. In 1647 werd de hele regeling afgeschaft en vervangen door een vast traktement van f 3100 per jaar voor de bewindhebbers van de kamer Amsterdam, f 2600 voor die van Zeeland en f 1200 voor de bewindhebbers in de kleine kamers. Voorts werd in 1623 het bewindhebberschap aan een termijn van drie jaar gebonden, maar die maatregel werd al snel onder tafel gewerkt: ook later bleven bewindhebbers in de meeste gevallen tot hun overlijden hun plaats behouden.
In 1623 werd tevens via een ingewikkelde weg enige controle en zeggenschap aan de participanten toegekend, door de instelling van drie commissies van hoofdparticipanten - dat wil zeggen zij die, zoals ook voor de bewindhebbers was vereist, voor minstens f 6000 in de kamers Amsterdam of Zeeland en voor f 3000 in de kleine kamers participeerden. [3]
Eén college, dat van de rekeningopnemers, zou samen met de bewindhebbers de 'generale rekeninge' controleren, die voor het eerst na afloop van het octrooi in 1622 moest worden gepresenteerd. Sedert 1647 vond deze financiële verantwoording om de vier jaar plaats, niet alleen ten overstaan van de rekeningopnemers, maar ook van een commissie uit de Staten-Generaal.
Het tweede college van hoofdparticipanten fungeerde per kamer en werd bijeengeroepen bij het openvallen van een bewindhebbersplaats. Bij 'affixie van biljetten' werd dan een gelijk aantal hoofdparticipanten opgeroepen als er nog zittende bewindhebbers waren; bewindhebbers en hoofdparticipanten vormden dan te zamen het kiescollege dat een nominatie van drie personen mocht opstellen. In de praktijk volgden de kamers ook daar weer eigen regels. Zo kwamen in Zeeland twee keer zoveel hoofdparticipanten bijeen als er bewindhebbers waren. In Amsterdam daarentegen was de animo voor deze bijeenkomsten onder de hoofdparticipanten gering; meestal kwamen maar enkele participanten opdagen.
Tenslotte werden uit de kamers negen hoofdparticipanten aangewezen die aan de vergaderingen van de Heren Zeventien en de diverse commissies van de Zeventien deelnamen en daarin een adviserende stem konden uitbrengen. Vier van hen kwamen uit Amsterdam, twee uit Zeeland en drie uit de overige kamers, hetgeen dus inhield dat deze kleine kamers het beurtelings zonder zo'n hoofdparticipant als afgevaardigde moesten stellen. De verkiezing ging min of meer zoals bij de bewindhebbers: participanten stelden een nominatie van drie personen op, waaruit de plaatselijke burgemeesters de electie deden. Omdat deze participanten na hun verkiezing een eed aflegden ten overstaan van de burgemeester (zoals ook de bewindhebbers deden) werden zij 'beëdigde hoofdparticipanten' genoemd.
In 1749 werd in de regels van benoeming weer verandering gebracht. Toen werd op voorstel van zestig hoofdparticipanten van de VOC stadhouder Willem IV tot opperbewindhebber benoemd. Aan de stadhouder viel nu het recht toe uit de voordracht van drie personen nieuwe bewindhebbers en nieuwe beëdigde hoofdparticipanten te kiezen. Overigens bemoeiden Willem IV en zijn opvolger Willem V zich niet rechtstreeks met de directie; zij lieten zich in de bewindhebberscolleges van de kamers en in de vergadering van de Heren Zeventien vertegenwoordigen door een 'representant'. [4]
In 1786 tenslotte, toen de Compagnie voor financiële steun op de overheid was aangewezen, werd op voorstel van de Staten van Holland het bewindhebberscollege van de kamer Amsterdam met zes personen uitgebreid. Aan deze uitbreiding was een politieke strijd voorafgegaan. Het was aanvankelijk de bedoeling van de Staten van Holland geweest dat ook in Zeeland enkele bewindhebbers zouden worden benoemd. Deze hervormingsgezinde directieleden, die door het door de patriotten beïnvloede bestuur werden aangesteld, zouden zich vooral met het Indisch bedrijf moeten bezighouden. Maar Zeeland verzette zich en derhalve bleef de uitbreiding van het bewindhebberscollege tot Amsterdam beperkt. De nieuw benoemde bewindhebbers vormden in die kamer het departement 'tot de Indische zaken', ook wel het Vijfde Departement genoemd. Aangezien de anti-Oranjegezinde patriotten in Holland de overhand hadden, geschiedde de aanstelling aanvankelijk niet door de stadhouder, doch door de Staten-Generaal op voordracht van de Staten van Holland. Toen in 1788 de politieke verhoudingen zich wijzigden en de stadhouder zijn oude positie herwon, werd hij ook in dit opzicht in zijn rechten hersteld. In 1790 ging uiteindelijk ook de kamer Zeeland met de instelling van dit bestuurslichaam akkoord, dat sedertdien de naam Preparatoir Besogne kreeg.[5]
De komst van de Fransen en de stichting van de Bataafse Republiek maakten in 1795 een einde aan het bewind van de oude directie. Volgens het decreet van de Staten-Generaal van 24 december 1795 werden de bewindhebbers per 1 maart 1796 van hun functie ontheven. Het bestuur over de Compagnie werd gegeven aan het 21 leden tellend Comité tot de zaken van de Oost-Indische handel en bezittingen.