Inventaris van het archief van de gouverneur-generaal en raden van Indië (Hoge Regering) van de Verenigde Oostindische Compagnie en taakopvolgers, 1612-1812

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer

Batavia als administratief centrum
Alle VOC-kantoren in Indië (en ook de vestiging aan Kaap de Goede Hoop) waren ondergeschikt aan de Hoge Regering in Batavia. Batavia was voorts de belangrijkste en in de zeventiende eeuw gedurende enige tijd de enige haven van aankomst en vertrek van de schepen van en naar Europa. De communicatie tussen bewindhebbers in de Republiek en de diverse vestigingen liep dus in hoofdzaak via de Hoge Regering en de onder haar gestelde administratie. Er was een aantal uitzonderingen op deze regel. Het VOC-kantoor in Gamron in Perzië en soms ook de kantoren in India correspondeerden via de landweg over de Levant met de bewindhebbers in patria. Daarnaast was er na de stichting van een nederzetting aan Kaap de Goede Hoop steeds een briefwisseling tussen de bestuurders aldaar en de bewindhebbers in de Republiek. Tenslotte vond er, wanneer andere havens dan Batavia door de VOC in de Europees-Aziatische vaart werden opgenomen, tevens een rechtstreekse uitwisseling van brieven en rapporten tussen bewindhebbers en de betreffende factorijen plaats.[1]
De Hoge Regering zag in de vaart op Europa buiten Batavia om een aantasting van haar positie. Zij meende voorts dat Batavia zijn rol als rendez-vous hierdoor minder goed kon vervullen. Het gaf de autoriteiten in Batavia dan ook voldoening toen de bewindhebbers de rechtstreekse vaart op Coromandel, Surat en Gamron, die al vóór de vestiging voor Batavia was begonnen, in 1636 stopzetten. In 1665 echter moesten gouverneur-generaal en raden erin berusten dat Ceylon als tweede haven naast Batavia in de scheepvaart op patria ging fungeren. De Heren Zeventien hadden in deze vaart toegestemd om aan de snel groeiende behoefte aan peper voor de Europese markt te kunnen voldoen - via Ceylon werd peper van Malabar aangevoerd. Bovendien had deze route het voordeel dat de kaneel van Ceylon sneller en zonder overladen en dus in betere kwaliteit in Europa werd aangevoerd.
Nadat Ceylon een rechtstreekse verband met patria had gekregen ontstond al spoedig een heftige concurrentiestrijd tussen de gouverneur van het eiland, Rijklof van Goens, en de Hoge Regering. Van Goens meende dat Ceylon, of meer precies de stad Galle, vanwaar de VOC-schepen naar patria vertrokken, beter dan Batavia als rendez-vous voor de Indiase kantoren van de Compagnie kon dienen. Het gevolg van zijn inspanningen was dat de retourvloot uit Ceylon soms rijker was beladen dan de schepen uit Batavia. Daarop besloten de bewindhebbers deze 'directe vaart' uit te breiden tot Coromandel en Bengalen. Dat bleek echter geen succes, misschien mede omdat Batavia het beleid niet steunde en mogelijk zelfs saboteerde. In ieder geval wist de Hoge Regering stukje bij beetje het verloren terrein terug te winnen en rond 1700 had naast Batavia alleen Galle nog een directe verband met patria.
De verschuivingen in de handel in de achttiende eeuw brachten opnieuw veranderingen in het scheepvaartverkeer. Gedurende de eerste drie decennia vertrokken vanuit Mokka aan de Rode Zee geregeld schepen die via Galle naar patria voeren, de zogenoemde 'koffieschepen'. Van groter belang was dat, na een vinnige woordenstrijd tussen de Heren Zeventien en de Hoge Regering, in 1728 een directe verband tussen de Republiek en Kanton ontstond. Tot 1733 zonden de kamers Amsterdam en Zeeland in totaal dertien schepen naar Kanton, die Kanton echter niet aanliepen. Daarna werd de organisatie van deze vaart weer aan Batavia overgelaten, met dien verstande dat van de twee of drie schepen die nu jaarlijks uit Batavia naar China voeren slechts één weer naar de hoofdplaats terugkeerde; de overige schepen zeilden met hun lading thee en porselein via Straat Sunda naar patria. In 1756 tenslotte werd mèt de oprichting van de Chinase commissie ook de vaart op China weer vanuit de Republiek bestuurd; de rechtstreekse retourvaart bleef bestaan.
Na Galle en Kanton werd Hooghly, het hoofdkantoor van de VOC in Bengalen, in de achttiende eeuw de derde haven met een rechtstreekse verband op patria. Vanaf 1734 voeren jaarlijks twee, en sedert 1742 vier schepen vanuit Bengalen naar Holland. Bovendien werd sinds 1750 één schip per jaar door de kamer Amsterdam naar Hooghly gezonden. In 1770 werd ook Coromandel in dit rechtstreekse scheepvaartverkeer opgenomen.
Toch betekende de rechtstreekse scheepvaartverband en de daarmee gepaard gaande correspondentie tussen patria en Indische kantoren niet dat er een principiële inbreuk werd gemaakt op de positie van Batavia als hoofdkantoor van de VOC in Indië. Administratief en boekhoudkundig bleef Batavia het centrum. Bovendien bleef de Hoge Regering in Batavia de correspondentie met alle aan haar ondergeschikte VOC-kantoren in kopie naar de bewindhebbers in patria zenden, dus ook de briefwisseling met Ceylon, Kanton of Bengalen.
De Hoge Regering werd in haar werk bijgestaan door de generale secretarie.[2] De secretaris van de Hoge Regering, die aan de secretarie leiding gaf, woonde de vergaderingen van de Raad van Indië bij en maakte de resoluties op.[3] De secretaris werd ondersteund door een eerste klerk die de rang van opperkoopman had, ordinaris klerken en extra-ordinaris klerken. De klerken ’dienden wel gesont, wel ter penne en van een gereguleert leven ... te wesen, dat juyst niet altijt tesamen concurreert...’. Het aantal klerken nam in de loop der jaren toe, van 14 in 1660 tot ca. 70 in 1799. Elke ordinaris-klerk kreeg één of meer specifieke onderdelen van de administatieve taak toebedeeld.: het dagregister bijhouden, het kopiëren van resolutieboeken, het extraheren van resoluties of notulen of het registreren van ingekomen missiven. De hoeveelheid schrijfwerk was enorm en bereikte een aantal malen per jaar een hoogtepunt wanneer de retourschepen naar patria vertrokken. Deze waren niet alleen rijk beladen met goederen, maar ook met ‘droge’ brieven en papieren voor de Heren Zeventien en de Kamers in patria. In deze hoogtijdagen werden extra-ordinaris klerken aangetrokken om de reguliere bezetting van de secretarie te ontlasten. De administratie van de Hoge Regering zelf diende niet alleen bijgehouden te worden, maar ook de correspondentie met patria, de buitenkantoren, de inlandse vorsten en de andere bestuurslichamen in Batavia was intensief van karakter. Teneinde functionarissen binnen de eigen organisatie, de Heren Zeventien, de Kamers, de buitenkantoren en de Bataviase bestuursorganen op de hoogte te houden van de besluiten van de Hoge Regering, werden bovendien allerlei administratieve stukken in veelvoud geheel of gedeeltelijk gekopieerd en verzonden. De zorg voor het archief van de Hoge Regering werd in 1735, nadat er dat er ‘defecten en gebreckelijkheden’ waren geconstateerd, overgedragen aan een ‘archivarius’. Voordien deden andere functionarissen van de secretarie dit werk erbij. Deze functie werd in 1808 weer afgeschaft door de toenmalige gouverneur-generaal Daendels.
De directeur-generaal was verantwoordelijk voor de handel en scheepvaart van het gehele Indische bedrijf. Uiteraard diende hij belangrijke zaken zoals het opstellen van de 'eis' voor goederen en gelden uit patria in de raad te bespreken. In Batavia vielen de pakhuizen voor de handelsgoederen en de provisie, het soldijkantoor en de kas onder zijn toezicht. Hij werd bijgestaan door twee 'opperkooplieden van het Kasteel'. Sedert 1664 waren de taken van deze functionarissen zo verdeeld dat de eerste of oudste van hen uit de Indische kantoren binnenkomende goederen administreerde, de jongste hield de uitgaande goederen bij. In de loop der tijd nam hun werk in omvang toe en werd het personeel van het negotiekantoor waar de opperkooplieden aan het hoofd stonden, uitgebreid met een reeks van kooplieden, onderkooplieden en boekhouders.
Ook de boekhouder-generaal stond onder de directeur-generaal. De boekhouder-generaal stelde uit de van de kantoren afkomstige handelsboeken het 'generaal journaal' en het 'generaal grootboek' samen, dat in kopie naar de kamers Amsterdam en Zeeland werd gezonden. Bovendien administreerde de boekhouder-generaal de uit patria ontvangen scheepsladingen en de naar patria gezonden retourgoederen. Van het kantoor van de boekhouder-generaal zullen de 'bevindingen op de eisen' afkomstig zijn, die sedert het laatste kwart van de zeventiende eeuw naar patria werden gezonden. In Batavia werd bij het lossen van de schepen namelijk nagegaan in hoeverre het ontvangene correspondeerde met de oorspronkelijke eisen of bestellingen van de Hoge Regering en met het besluit van de Heren Zeventien daarover. Vervolgens werd de oorspronkelijke eis met het overzicht van het teveel of te weinig ontvangene naar patria teruggezonden, zodat de bewindhebbers konden zien waar zij of de kamers te kort waren geschoten. [4]
Overigens geeft het werk van de boekhouder-generaal aan, dat er in Indië, in tegenstelling tot in patria, wel een gecentraliseerde boekhouding was. Het systeem dat werd gevolgd, sloot niet aan op de boekhouding van de kamers. [5] De grondgedachte van het systeem was een zeer logische: het bedrijf in Indië was als 'factor' voor al het van de kamers ontvangene verantwoording schuldig aan het bedrijf in de Republiek. Dat bedrijf in de Republiek werd als eenheid beschouwd, in de rekening-courant werd gesproken van de 'Generale Oostindische Compagnie'. Op deze rekening-courant werd derhalve alles wat aan goederen en gelden uit patria werd ontvangen aan creditzijde gesteld, en wat aan retourgoederen naar patria was verscheept verscheen aan de debetzijde. De onkosten in Indië waren verdeeld over vijf posten: die van de generale onkosten, van de soldijen, onkosten van schepen, fortificatiën en 'schenkagie' (geschenken). Bij de inkomsten werd onderscheid gemaakt tussen inkomsten en handel en die uit belastingen en dergelijke (respectievelijk de 'generale winsten' en 'generale inkomsten'). In de achttiende eeuw werden enkele posten van kosten en inkomsten in de boeken toegevoegd, doch het systeem werd niet gewijzigd. Ook de generale missiven bevatten financiële gegevens over het Indische bedrijf. Het formeren van de generale journalen kon soms lang duren en daarom zochten de boekhouders de resultaten van de diverse kantoren snel bijeen en formeerden zij staten van inkomsten en uitgaven per kantoor die dan als onderdeel van de generale missive met de retourvloot van december of februari konden worden meegegeven. De 'echte' financiële boeken arriveerden soms pas een jaar later.
De visitateur-generaal, eveneens ondergeschikt aan de directeur-generaal, was belast met de controle op de boeken en financiële administratie in Indië. Aan hem was ook de controle over de 'consumptie-rekeningen' opgedragen, waarin schippers na aankomst uit patria verantwoording moesten afleggen van de onderweg verstrekte proviand.
De centrale rol van Batavia in het Indisch bedrijf blijkt niet alleen uit de financiële, maar ook uit de personele administratie. Het soldijkantoor hield het personeelsbestand van het gehele Indische personeel bij en ontving daartoe jaarlijks de benodigde informatie uit de kantoren. Sedert 1689 werd ieder jaar een volledige rol van het Compagniespersoneel in Indië in tweevoud naar patria gezonden.
Om ook in het scheepvaartverkeer een centrale rol te kunnen vervullen bezat Batavia de nodige etablissementen als werven, pakhuizen, een ambachtskwartier en dergelijke. Nieuwe schepen werden in Batavia niet gebouwd, maar wel moest er veel onderhoud en herstelwerk aan de schepen worden verricht, waarvoor op het voor de kust van Batavia gelegen eilandje Onrust de nodige faciliteiten bezat. De equipagemeester hield toezicht op deze werkzaamheden en op de schepen op de rede. Hij was aanwezig bij aankomst en vertrek van de schepen; bij vertrek liep hij samen met één van de fiscaals de monsterrol van het betreffende schip na en controleerde hij de lading.
In Batavia zetelde ook het hoogste rechtscollege in Indië, de Raad van Justitie.[6] In 1620 werd dit orgaan ingesteld met de benaming ‘Ordinaris luijden van den Gerechte in ‘t fort ofte Casteel’. Bij resolutie van de Hoge Regering van 10 september 1626 werd de benaming ‘Ordinaris Raet van Justitie binnen het Casteel Batavia’. Dit bleef zo tot 1798 toen de raad zichzelf ‘Hooge Raad’ ging noemen. De president van de Raad van Justitie was gewoonlijk ook lid van de Raad van Indië. De secretaris en leden werden eveneens gerecruteerd uit de dienaren van de VOC: de zeven en later negen leden werden aangewezen door de Heren Zeventien. Als officier van justitie bij de raad trad de ‘advocaat-fiscaal van Indië’ op. De raad behandelde zaken waarin de VOC of haar dienaren partij waren, de civiele zaken in hoger beroep van het College van Schepenen, (later) de zaken in hoger beroep van rechtbanken buiten Batavia, de zaken waarbij rechtbanken in gebreke waren gebleven en de revisie van de vonnissen in civiele zaken door de raad zelf. In het laatste geval werd de samenstelling van de raad op adhoc basis aangepast door de aanwijzing van zogenaamde ‘adjuncten-reviseurs’. In de loop van de tijd nam het aantal te behandelen zaken enorm toe, wat ertoe leidde dat de kleine zaken eerst werden bekeken en deels afgehandeld door de ‘Commissarissen uit den Raad van Justitie voor kleine zaken’. De Raad van Justitie werd op 15 augustus 1809 opgeheven en vervangen door de ‘Hoogen Raad van Justitie van Hollandsch Indië’.
Uiteraard kende Batavia ook bestuurslichamen voor de stad zelf. Nadat de VOC zich in 1619 definitief in de stad gevestigd had, werd begonnen met de instelling van de noodzakelijke bestuursorganen. De bestuursinstellingen leken gekopieerd van de steden in de Republiek. De invloed van de Hoge Regering in deze organen was groot. Veelal waren de presidenten van de colleges lid van de Raad van Indië.
Teneinde de rust, orde en veiligheid te waarborgen, werd bij resolutie van de Hoge Regering van 29 maart 1620 een ‘baljuw’ aangesteld. Zijn ambtsgebied omvatte Batavia, het gebied ten oosten van de stad tot aan het koninkrijk van Cheribon, ten westen tot aan het koninkrijk Bantam en ten zuiden tot aan de zee. De taken van de nieuwe functionaris werden vooralsnog niet beschreven, maar behelsden de opsporing en aanhouding van wetsovertreders. Ook trad de baluw op als aanklager bij het College van Schepenen. Het aantal dienaren dat hem zou moeten bijstaan werd aanvankelijk ook niet vastgelegd. In 1660 gebeurde dit alsnog: een ‘kloeck Nederlander en vier swarten’. Het ambtsgebied van de baljuw werd op 24 februari 1651 beperkt tot Batavia en de zuider-voorstad, door de aanstelling van een ‘landdrost of drossaard over de Ommelanden van Batavia’. Deze kreeg als ambtsgebied wat restte van het voormalige gebied van de baljuw. De landdrost had vrijwel een zelfde takenpakket als de baljuw. Aanvankelijk had hij een vervager en vier dienaars tot zijn beschikking, maar later werden dat er meer.
Op 24 juni 1620 werd, eveneens bij resolutie van de Hoge Regering, een ‘Collegie van Schepenen’ ingesteld dat zou gaan optreden als gemeentebestuur en als rechtbank. Het college was samengesteld uit dienaren van de VOC en burgers en werd jaarlijks vernieuwd. Als voorzitter fungeerde altijd een VOC-dienaar. Bij zaken waar Chinese burgers bij betrokken waren, werden Chinesen op adhoc basis als lid in het college opgenomen. De baljuw trad op als aanklager bij het college. De uitgesproken vonnissen dienden voor uitvoering te worden goedgekeurd door de gouverneur-generaal. In civiele zaken was hoger beroep in bepaalde gevallen mogelijk bij de eveneeens in dat jaar ingestelde Raad van Justitie. Het takenpakket van het College van Schepenen bleek al gauw te zwaar. Ter verlichting werd een nieuw college ingesteld: ‘Commissarissen van huwelijks- en kleine gerechtszaken’, dat was samengesteld uit een president, een vice-president en drie leden. De taken waren het handhaven van de ordonnanties op huwelijksgebied en de rechtspraak in kleine zaken. De taken van de eerdergenoemde advocaat-fiscaal werden ingeperkt door de aanstelling van een ‘water-fiscaal’. De laatste en de landdrost kregen als officieren van justitie zitting in het College van Schepenen. Het college werd opgeheven op 1 februari 1812.
De eerste notaris in Batavia was Melchior Kerchem. Hij werd in zijn functie benoemd door de Hoge Regering op 27 augustus 1620. De eerste instructie dateerde van 16 juni 1625. Een notaris van ‘behoorlijke ouderdom’ zijn en tenminste ‘middelmatige kennisse hebbende van de costumen, statuyten en de rechten onser landen’. Ook werd hij verplicht ‘prothocol off register’ te houden. Deze administratie was toegankelijk voor de baljuw en het College van Schepenen. De notarissen werkten niet alleen voor VOC-dienaren en vrije burgers, maar ook -en vooral- voor de locale, inlandse bevolking.
Op 15 juni 1625 werd door gouverneur-generaal Pieter Carpentier te Batavia het ‘College van Weesmeesters’ ingesteld. Het college college had als taken: het behartigen van de belangen van vader- en/of moederloze minderjarigen en het beheer van onbeheerde nalatenschappen van overleden niet-inlanders, zonder erfgenamen.
Op 19 september 1664 werd een ‘College van Heemraden der Bataviasche Ommelanden’ ingesteld met als taak de aanleg en het onderhoud van wegen, dijken, bruggen en waterwegen. Verder was het college belast met de berechting van geschillen over landscheidingen. Het college was samengesteld uit VOC-dienaren en burgers. Als president fungeerde een lid van de Raad van Indië en als vice-president de landdrost. Het college werd opgeheven op 7 februari 1809. Een ‘Gecommitteerde tot en over de zaken van den inlander’ kreeg als taak om in het ambtsgebied van de landdrost civile en huiselijke zaken en geschillen van inlanders te beslechten.
Op 30 november 1745 werd door de Hoge Regering, o.l.v. gouverneur-generaal Van Imhoff, octrooi verleend aan de ‘Societeit tot den handel in amphioen’ ofwel de ‘Amphioen-societeit’. De societeit was een naamloze vennootschap, waarvan de aandeelhouders grotendeels VOC-dienaren waren. De VOC bezat het monopoly op de invoer van opium naar Batavia. De aangevoerde waar was afkomstig uit Bengalen en werd door de VOC afgestaan aan de societeit om deze ‘in het klein’ te kunnen verkopen. De societeit was samengesteld uit een directeur, twee hoofdparticipanten, een kassier en een boekhouder die ook als secretaris fungeerde. De eerste directeur was de latere gouverneur-generaal Jacob Mossel. De societeit werd opgeheven op 15 maart 1794 en vervangen door de ‘Amphioen-directie’ die nu met het beheer van het monopoly werd belast. De verkoop ‘in het groot’ werd nu toegestaan. De samenstelling van van de instelling wijzigde niet noemenswaardig.
Op 17 september 1808 werd de Amphioen-directie opgeheven door gouverneur-generaal Daendels.
Bij resolutie van de Hoge Regering van 26 augustus 1746 werd besloten tot de oprichting van de ‘Bank van Leening’. De bank zou voorschotten gaan verlenen op onderpand van ‘goud, zilver, juwelen, koopmanschappen, lijnwaden, huisraad van weinig omslag en waardije en andere diergelijke dingen meer’. Een college van commissarissen werd belast met het beheer van de bankgelden. Het werd geen succes. Op 2 juni 1752 werd besloten tot de oprichting van de ‘Bank-courant’ die dienst ging doen als deposito- en circulatiebank. Voor de bij de bank ingebrachte gelden werden certificaten of bankbrieven op naam uitgegeven die weer overgedragen of ingewisseld konden worden. Het moderne concept werd (weer) geen succes. Bij resolutie van de Hoge Regering van 5 april 1794 werd de bank opgeheven en vervangen door een nieuwe ‘Bank van Leening’ die echter niet meer als zelfstandige, particuliere bank zou gaan optreden. Gouverneur-generaal Daendels hief de bank weer op en onder dezelfde benaming werd een nieuwe bank opgericht. De instructie voor de bank dateerde van 14 juli 1809. De samenstelling van het bestuur van de bank verschilde nauwelijks van de vorige.
In 1746 werd een college ingesteld waarvan de leden ‘Commissarissen van zee- en commerciezaken’ werden genoemd. De aanleiding voor het in leven roepen van dit college was de openstelling voor particulieren van de vaart op verschillende plaatsen in Azië. In 1755 werd het college weer opgeheven omdat de vrije vaart niet langer meer geoorloofd was.
Buiten Java waren op verscheidene plaatsen ‘raden van justitie’ ingesteld. De opperhoofden van de VOC-kantoren ter plaatse zaten gewoonlijk deze raden voor. Vanaf 1732 werd het presidium toegewezen aan anderen, vanwege de grote kritiek op het functioneren van de opperhoofden. In bepaalde gevallen kon tegen vonnissen van deze raden in beroep worden gegaan bij de Raad van Justitie in Batavia.
Op de valreep richtte gouverneur-generaal Daendels op 19 december 1808 de ‘Algemene Rekenkamer van Indië’ op. De taak van dit orgaan was de controle van de inkomsten en uitgaven van de Indische bestuurslichamen, ook op lokaal niveau. De Kamer was samengesteld uit een president, vier leden en een secretaris.
Op de schepen van de VOC werden de meeste lichte zaken afgedaan door een ‘scheepsraad’ die was samengesteld uit de scheepsofficieren en -indien aanwezig- een (onder-)koopman. Indien in vlootverband werd gevaren werden de zware misdrijven gewoonlijk behandeld door een ‘brede raad’ die bestond uit de schippers en de commandeur van de vloot. Soms ook werd de behandeling van deze zaken overgelaten aan rechtbanken in de havens van aankomst. (Zie bijlage 6 voor een organisatieschema van de VOC in Indië.)