Inventaris van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië (Hoge Raad van Justitie) 1620 - 1809

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
De Raad van Justitie werd op 15 augustus 1620 ingesteld per besluit van de Hoge Regering als "Collegie van Commissarissen ofte Gerechtsluyden in 't fort" . In de wandeling werd de term " Raad van Justitie" vanaf 10 september 1626 gebruikt. Op 15 augustus 1809 werd zij door Daendels opgeheven en als algemene rechtbank voor geheel Nederlands-Indië vervangen door een nieuw opgerichte "Hoge Raad van Justitie" (later genoemd "Hooggerechtshof van Nederlands-Indië").
De raad bestond vanaf 1669 uit 9 compagniesdienaren, daarvoor uit 7 . De president (voorzitter) van het college moest een ordinaris lid van de Raad van Indië zijn. In de begintijd kwam het echter voor dat het een extra-ordinaris raad was. De vice-president was altijd een extra-ordinaris raad van Indië. De president kon de leden van de Raad van Justitie bijeenroepen wanneer hij wilde, hetzij in ordinaris of in extra-ordinaris vergadering. Hij bewaarde ook het zegel van de raad.
Een probleem was altijd de verbintenis van de leden met de regering. Er zijn voorstellen gedaan om de leden van de Raad van Justitie vrij te stellen van andere ambten. Zover is het echter nooit gekomen. De dispositie tot het benoemen van leden werd echter overgedragen aan de Heren XVII om toch enigzins een onafhankelijk lichaam te garanderen. Pas bij resolutie van de Heren XVII, dd. 27 september 1697, zijn finale regels gesteld. Het getal der leden werd op 9 gesteld. De president moest een ordinaris of extra-ordinaris lid van de Hoge Regering zijn. De benoeming en vervanging van leden was voorbehouden aan de Heren XVII. Zonder toestemming mochten ze geen andere taken uitvoeren. De tractementen werden verhoogd, en ook hun protocollaire positie. Bij aanstelling moest een nieuw lid een eed afleggen. Jaarlijks moesten alle leden een eed van zuivering doen. Het personeel van de Raad bestond uit een secretaris, 1 gezworen klerk, 7 klerken, 1 deurwaarder, 1 cipier, 2 geweldigers van de fiscaal, 1 geweldige van de waterfiscaal, 1 scherprechter en 1 inlands tolk. Bij resolutie van GG&R van 22 september 1665 zijn regels gesteld voor de secretaris van de Raad, voornamelijk betreffende de administratie van de financiën (boeten e.d.)
In de begintijd was de Raad vaak bemand door dienaren die weinig of geen juridische kennis hadden. Dit leidde in sommige gevallen tot rechterlijke dwalingen. Om hierin verbetering te brengen stelde de kamer Amsterdam in 1636 rechtsgeleerde Johan Maetsuijcker aan in de functie van pensionaris van de Raad van Justitie en stuurde hem naar Indië om de raadsheren rechtskundig te adviseren en tot enigheid te brengen. Tevens moest hij een ontwerp van procederen vervaardigen . Maetsuijcker stelde een ordonnantieboek samen, dat na goedkeuring door GG&R, tot aan het einde van de VOC als een soort wetboek voor het octrooigebied fungeerde .
De jurisdictie van de Raad gold direct Batavia en ommelanden en in tweede instantie het gehele octrooigebied als hogere rechtbank boven de raden van justitie ter plaatse. Alle zaken, zowel civiel als crimineel, waarbij compagnies-dienaren betrokken waren, kwamen in eerste instantie voor de Raad. In gemengde burgerlijke zaken, waarbij ook een niet VOC-dienaar betrokken was, werd in het geval de eiser een compagniesdienaar was de zaak behandeld voor de competente rechter van de verweerder (doorgaans de Schepenbank), in het omgekeerde geval was de Raad van Justitie de geeigende rechtbank. Burgers onderling waren vrij in de keuze van rechtbank. De Raad fungeerde als gezegd als hoofdrechtbank voor het octrooigebied en was dus daarmee ook de instantie voor appèl op sententies van lagere rechtbanken, zoals de schepenbank, landraden, arbitragezaken en van de raden van justitie in de diverse vestigingen in het octrooigebied.
Op uitspraken van de Raad zelf stond alleen de mogelijkheid van appèl open als de zaak meer bedroeg dan 100 rijksdaalders. Daartoe moest toestemming gevraagd worden van de Hoge Regering. Het was lange tijd onduidelijk welke rechtbank of instantie in de Republiek deze zaken kon behandelen. In tegenstelling tot de West-Indische Compagnie waren de Staten-Generaal geen beroepsinstantie van VOC-rechtbanken. In de bekende zaak Bitter heeft het Hof van Holland zich ooit competent verklaard om zaken uit Indië in appèl te behandelen.
De Raad van Justitie was enigzins beperkt in haar autoriteit. De Hoge Regering behield aan zichzelf een aantal rechtshandelingen . Tevens was de Hoge Regering gerechtigd om pardonnen of mitigaties te verlenen in zaken waar de doodstraf uitgesproken was.
De gerechtelijke procedure was strikt, eerst moesten alle stukken schriftelijk ingediend zijn om tot "staat van wijsen" te komen. Een lid van de raad examineerde als commissaris de stukken en rapporteerde zijn bevindingen in de Raad. Over dit advies werd gedelibereerd en men kwam vervolgens tot een uitspraak.
De Raad volgde zowel in rechtspleging als in jurisprudentie het Hollandse recht .
De fiscaal
Volgens instructie van 1617 moest de 4e raad van Indië een persoon zijn die juridisch redelijk geschoold was. Hij werd aangewezen als fiscaal, een soort officier van justitie. Later werd vaak het jongste lid van de Raad van Indië als fiscaal benoemd. In 1661 werd het ambt gesplitst in een water- en een landfiscaal . Beide fiscaals hadden in civiele zaken een stem in de Raad van Justitie, behalve als zij zelf betrokken waren bij een zaak. De fiscaals hadden een aantal suppoosten in dienst; 14 "kaffers" (negers) voor de (land)fiscaal van Indië en 4 voor de waterfiscaal.