Inventaris van stukken afkomstig van het Vendukantoor te Batavia, (1747-1794) (1804-1807)

Beschrijving van het archief

Archiefvorming

Geschiedenis van de archiefvormer
In de eerste jaren na de stichting van Batavia was de secretaris van de Hoge Regering belast met het beheer en uitvoering van de publieke venduties. Daarbij werd hij geassisteerd door de deurwaarder en de stadsbode. In 1642 werden deze bedieningen en betrekkingen geregeld en werd de eerste vendumeester aangesteld.
De secretaris werd voortaan verboden zich met vrijwillige verkopingen in te laten; de executies bleven echter wel in zijn handen. Eveneens moesten de deurwaarder en de stadsbode hun rol als afslager laten varen. Een gezworen klerk van de secretarie werd de vendumeester tegen betaling van een vergoeding als schrijver toegevoegd. De vendumeester stond niet in dienst van de VOC [1]. Als salaris mocht de vendumeester bij de verkopingen van goederen een percentage van de opbrengst in rekening brengen. De koopprijzen moest hij binnen zes weken aan de verkopers verantwoorden.
Voordelig was de betrekking van vendumeester in eerste instantie niet, daarom werd zes jaar later het salaris verhoogd en aan hem het recht van preferentie verleend benevens, een legaal of stilzwijgende hypotheek op de gemijnde goederen, zolang deze nog in het bezit van de debiteur bleven. De betrekking van vendumeester schijnt het midden der 18e eeuw nog voordeliger te zijn geworden, althans er werd bepaald dat de akte van diens aanstelling op een hoger zegel geschreven moest worden en wel een van tachtig rijksdaalders, terwijl de akte waarbij een notaris geadmitteerd werd gesteld werd op een zegel van achttien rijksdaalders. Tot het laatst der 18e eeuw kwamen alle voordelen, die het vendukantoor te Batavia afwierp, ten bate van de vendumeester en afslager met uitzondering van 1½ percent, welke ten bate kwam van het College van Heemraden en 1/8 percent, welke genoten werd door den kastelein van het Heerenlogement, waar de veilingen van vaste goederen plaats meestal plaats vonden. Ook vinden wij aangetekend dat de Gouverneur Generaal wegens diens aandeel in de winst van het vendukantoor in 1792 en 1793 een inkomen genoot 13.080 rijksdaalders.
Naast de zogenaamde vrijwillige verkopingen door het vendukantoor vonden er ook openbare verkopingen plaats op last van de schepenbank en het college van weesmeesters